Te midden van Turkse wespen

Zeerovers kaapten Nederlandse schepen en verkochten de zeelui als slaven. De tact en het geduld van de jonge Leidse jurist Cornelis Haga (1578-1654) moesten soelaas bieden.

Geduld en tact, dat zijn toch wel de minimale eigenschappen die een diplomaat moet bezitten. Cornelis Haga bezat ze in hoge mate. Dat geduld kon hij opbrengen omdat hij ook nog eens heel goed het nuttige met het aangename wist te combineren. Haga was de eerste officiële vertegenwoordiger van de Republiek der Verenigde Nederlanden bij het hof van de sultan van het Osmaanse Rijk. In 1612 werd hij geaccrediteerd, een plechtige gebeurtenis, die dit jaar werd herdacht met een staatsbezoek, een tentoonstelling, bundels over de Turks-Nederlandse betrekkingen en een boek over Cornelis Haga (1578-1654).

Het boek, een initiatief van zijn geboortestad Schiedam, is vooral een beschrijving van de economische en politieke verhoudingen tussen de twee staten, waarbinnen Haga opereert als een competente diplomaat en een vrijmoedige levensgenieter.

Economisch had Nederland veel te winnen bij goede contacten. Nederlandse vrachtschepen voeren al met grote regelmaat op Turkse havens. Een zeurend probleem voor de West-Europese schepen in de Middellandse Zee vormden de Barbarijse zeerovers, piraten met hun basis in Algiers, Tunis en Marokko, die jaar in jaar uit schepen veroverden, de buit in beslag namen en de opvarenden verkochten op hun slavenmarkten.

De Staten-Generaal vonden het op aandringen van kooplieden die in deze contreien actief waren dan ook nodig om diplomatieke banden te formaliseren. Daar kwam bij dat de Turken een bondgenoot konden zijn in de strijd tegen Spanje. Liever Turks dan paaps, zo riepen de geuzen in de 16de eeuw al. Maar wie moest de klus klaren? En hoe pak je zo iets aan? Wat zijn de diplomatieke mores daar aan het hof in Constantinopel? Welk protocol te volgen? Wat voor geschenken aan te bieden? Hoe de overeenkomsten vast te leggen en te vertalen?

Vragen

Allemaal vragen waar de jonge republiek mee zat. En het is altijd weer verbazend hoe snel die republiek destijds al beschikte over een getalenteerd, hoog opgeleid kader dat antwoorden kon vinden op dergelijke ingewikkelde kwesties. In dit geval speelden de talenten Johan van Oldenbarnevelt en Hugo de Groot een rol. Hun oog viel op de 32-jarige Cornelis Haga. Dit zou wel eens de juiste man op de juiste plaats kunnen zijn.

Haga kwam uit een gegoed Schiedams milieu, studeerde in Leiden rechten, werkte als advocaat aan het Hof van Holland en maakte indruk als diplomaat op een gedeeltelijk geslaagde missie naar Zweden waar hij twee gekaapte schepen moest zien vrij te krijgen. Aan het eind van zijn studie had hij al eens een reis naar Turkije gemaakt en het is niet zo verwonderlijk dat hij in zicht kwam voor deze nieuwe post. Hij voelde er wel wat voor en bedong een riant salaris van 12.000 gulden per jaar. In het najaar van 1611 vertrok hij over land naar Venetië en van daar per schip naar Constantinopel.

In Constantinopel woonden al westerlingen – Fransen, Engelsen, Venetianen en Nederlanders – die al naar gelang hun belangen hem hielpen of tegenwerkten. Vanaf dag één bevond Haga zich dan ook in een wespennest van intriges, complotten, omkoperijen en dubbelspionnen, waarin hij al snel zijn weg vond.

Op basis van Haga’s eigen rapporten worden in dit boek de protocollaire praktijken beschreven. De hoofdweg voerde langs de niet altijd heldere hiërarchie tot aan de onbeweeglijke, op zijn met gouddraad, diamanten, parels en robijnen bestikte hemelbed liggende sultan Ahmed I. Op 1 mei 1612 ontving die Haga als gezant in het Topkapi-paleis. Haga sprak in het Latijn, zijn tolk vertaalde dat in het Turks en de sultan zweeg.

Later werd een vier meter lang gekalligrafeerd verdrag opgesteld, ‘de capitulatie’, waarin de commerciële vrijheden van de Nederlanders en de juridische rechten van de gezant lagen vastgelegd. Dat alles kon niet tot stand komen zonder royale geschenken. De Staten-Generaal hadden daar 3000 gulden voor uitgetrokken. En zo werden de fluwelen en satijnen stoffen, de kostbare meubelstukken, schilderijen en boeken, de Aziatische curiositeiten en ook de vierhonderd Edammer kazen uitgestald. De sultan en zijn adviseurs, zo werd Haga te verstaan gegeven, vonden het maar matig, in de vergeefse hoop op nog meer kostbaarheden.

Slaven

Haga is een succesrijk diplomaat geweest. Zijn activiteiten waren van groot belang voor de economische en politieke contacten. Op één gebied kon hij niet veel uitrichten: dat van de Nederlandse slaven in Noord-Afrika. Weliswaar bevatte de capitulatie een clausule die de vrijlating bepaalde van de Nederlandse slaven, maar in de praktijk kwam daar niets van terecht. Marokko, Tunis en Algiers vielen onder het gezag van de sultan, maar deze gebieden bezaten een grote autonomie. Bovendien verkochten de piraten de gevangenen snel op de slavenmarkt waardoor de gevangenen privé-eigendom werden waar de sultan nietsmeer over te vertellen had.

Uit de rapporten van Franse, Engelse en Venetiaanse diplomaten komt Haga naar voren als een ijdele man, een charmeur die op grote voet leefde, maar die ook een diplomatieke vakman was. Op de twee portretten die van hem bewaard zijn gebleven zien we hem als een zelfverzekerde heer met een imposante baard. Zijn voortdurende klacht was geldgebrek. De geschenken dan wel steekpenningen en de grote staat die hij voerde, joegen Haga op fikse kosten en de Staten-Generaal antwoordden zelden op zijn financiële smeekbeden.

Toen Haga er 27 jaar Constantinopel op had zitten vond hij het wel mooi geweest. Terug in Nederland kreeg hij een baan van aanzien: president van de Hoge Raad van Holland en Zeeland. Hij oefende die functie uit tot zijn dood in 1654. Hij werd begraven in zijn geboortestad Schiedam waar een in het Latijn gestelde tekst vermeldt dat hij zich zowel in binnen- als buitenland verdienstelijk heeft gemaakt jegens het vaderland. Dat is zeker waar. Maar nog bijna twee eeuwen lang sleten Nederlandse zeelieden hun dagen als slaaf op de Noord-Afrikaanse kusten en op de Turkse galeien.