Soms schuimt het in je hoofd

Er wordt trefzeker en spannend gedicht voor kinderen. Maar waarom leidt dat zo vaak tot een bundel waarin het goede wordt vermengd met het middelmatige?

‘Joris Jan Bas uit Koog aan de Zaan/ trok op een ochtend een jurkje aan,’ dichtte Ted van Lieshout afgelopen jaar. En Bette Westera schreef: ‘Heb je ’t al gehoord? Mevrouw Van Veen van nummer negen/ heeft vannacht om kwart voor vier een zevenling gekregen!’ Daar hoort u vast ook dit in terug: ‘Dag mevrouw Van Voort,/ hebt u ’t al gehoord?/ Hendrik Haan/ uit Koog aan de Zaan/ heeft de kraan open laten staan.’

Annie M.G. Schmidt is niet weg te denken uit de Nederlandse kinderpoëzie. Terecht, maar toonaangevende dichters leunen nog al te zeer op haar voorbeeld. Natuurlijk, de bundels waaruit de geciteerde verzen komen beogen ook meer te zijn dan Schmidt-navolgingen, ze volgen een voorbeeld maar voegen ook iets toe: Westera’s Aan de kant, ik ben je oma niet! (Boeken, 24.08.2012) is een vrolijke ode aan ouden van dagen – en met dat thema is het ook wel toepasselijk om aan Schmidt te refereren. Van Lieshouts Wij zijn bijzonder, misschien zijn wij een wonder gaat over anders-zijn, ook al een Schmidt-thema, maar uitgevoerd op z’n Van Lieshouts. Herkenbaar is zijn eigenwijze, vroegwijze vertelstem: ‘Ik ben een onberispelijk kind van onbesproken gedrag./ Ik weet niet wat dat inhoudt maar ik ben het elke dag.’ Jurkenjongen Joris Jan wordt in de door Van Lieshout zelf gemaakte illustratie verbeeld door de jonge Ted in gefotoshopte jurk, een voorbeeld van hoe de kunstenaar Van Lieshout in zijn werk altijd voorop staat.

Van Lieshouts recente ommezwaai naar toegankelijkheid à la Schmidt is terecht toegejuicht, zeker waar dat leidde tot zijn even aantrekkelijke als experimentele Driedelig paard (2011). Wij zijn bijzonder is dan een stap terug. Het gaat over een juf die in de populier klimt, over drie jongetjes die willen dansen, over een jongensachtig meisje en een meisjesachtige jongen – maar zo anders en bijzonder als de personages willen zijn, zo monotoon en welbekend klinken de versjes.

Het is veel van hetzelfde en de zwakkere gedichten halen het niveau van de bundel naar beneden. Daar hebben meer dichters last van. Veel van de alledaagse gedichten in Waar ik ben van Diet Groothuis blijven hangen in een anekdote of een observatie. Een gedicht over hitte blijft steken bij ‘rode knetterstenen’ van de stoep en een ‘gloeiendgele zon’ – zo bekijk je de wereld niet anders dan anders, terwijl juist dát een anekdote tot poëzie verheft.

Ze doet dat weer wel als ze dicht over ‘mijn oerstoere tante’, die ze omschrijft als ‘sterk als een gietijzeren pot/ met pootjes eronder, eikenhout erin’. Het portret is bovendien mooi dubbelzinnig: ‘Met haar handen, zacht als lieveheersbeestjes,/ zo klein had je niet gedacht zeker,/ scheurt ze kapot wat je niet kunt verdragen’. En Groothuis laat je wél anders kijken naar een melkkloppertje, want daarmee kun je ‘langzaam door het gleufje gaan/ aan de zijkant van je neus.’ Met als slotregels: ‘Dan schuimt het/ in je hoofd.’ Dat is een gedicht dat ertoe doet, maar zo’n vermaledijde bundel maakt dat het goede aangelengd wordt met het middelmatige.

Hans Hagen kan suggestief en sensueel dichten voor pubers, bijvoorbeeld in het eerste gedicht van zijn nieuwe jongerenbundel Hoe angst klinkt: ‘dat iemand/ de zomer uitvindt/ de rits gsm sms/ heupen een schort/ en vrij en rode bikini’s/ geen probleem’, waarna de keerzijde volgt: er bestaan ook ‘schoolrapport/ en angst en verlangen’ – hij zet de puberzorgen daar intrigerend bijeen. Maar tegenover een geloofwaardig hakkelende pubertoon staan gedichten met suffe woordspelingen, bijvoorbeeld als Hagen dicht over een wiskundeleraar met ‘armen die bètaweterig zwaaiden’, of over de natuurkundejuf die Mie heet: ‘stom-mie voor ons’.

De punt-en-kommaloze verzen zien er overigens obscuurder uit dan ze zijn, want wat er verteld wordt is kraakhelder. Dat is een nadeel: ook hier vinden we veel verhaaltjes, wat ongebruikelijk opgeschreven, maar eenduidig van betekenis. In de sterfgedichten over een zieke moeder, een oude hond en een verongelukt paard staat wat je al verwacht. Maar het oordeel over Hagen kan niet ronduit teleurgesteld zijn, want soms is het toch weer fris en dubbelzinnig: ‘aan de einder wacht donker/ of is het licht/ aan de einder wordt alles gedicht’.

Dat is wat de kinderpoëzie nodig heeft: een einder. Bundels worden nu te vanzelfsprekend gevuld en ze kosten de zuinige uitgevers ook nog eens zo veel dat een jaarproductie op de vingers van anderhalve hand te tellen is. Querido’s Poëziespektakel, een jaarlijkse bloemlezing met nieuw werk van vooral niet-doorgebroken en niet-rendabele kinderdichters, was lovenswaardig, maar heeft z’n langste tijd gehad. De meest recente, vijfde aflevering was kwalitatief ondermaats (Boeken, 07.09.2012) en niet vernieuwend meer, en ook de oplage is tot een dieptepunt gedaald. Er wordt gezocht naar een opvolger in de digitale hoek. Dat lijkt inderdaad licht aan de einder te betekenen (al zoekt men ook nog vooral naar geld). Ik zie het al voor me: dagelijks een nieuw, goed gedicht van wisselende dichters in een jeugdpoëzie-app, als een digitale poëziescheurkalender.

Met, alsjeblieft, in de voortrekkersrol een nieuwe stem, een nieuw geluid. Bijvoorbeeld Jaap Robben. Hij maakte vorig jaar ook een bundel, Als iemand ooit mijn botjes vindt, waarin hij vergeten woorden omfantaseerde tot zeldzame diertjes. De zachtaardige verzen over de tempeest, de vijst, de klabak en de kwukel zijn eerder curieus dan hemelbestormend, maar aan de kinderdichtkwalen anekdotiek en afgezaagdheid lijdt hij in elk geval niet: deze bundel schuimt.

Denk ook aan Geert De Kockere, die de bundel Een vink zegt sus maakte: puntdichten waarin hij telkens een dier beschrijft én op verrassende wijze met taal speelt. ‘Een hop heeft een kuif./ Een kuif op zijn kop.// Een hop is dus hip.// Maar toch blijft het een hop./ En geen hip,’ luidt een van zijn versjes. ‘Een rat zat in de put./ Een put vol prut./ Het was er vuil en vies./ Het stonk er goed./ Naar kuil en pies,’ begint een ander.

Een aantal versjes is net te flauw, maar ze zijn te mooi om links te laten liggen. Deze vierkante-millimeterkunst doet in zijn ingenieuze eenvoud denken aan Joke van Leeuwen, die in haar kinderpoëzie de taal én wat ze beschrijft een kwartslag kantelt. Dat De Kockere in Een vink zegt sus alleen maar eenlettergrepige woorden gebruikt, merk je pas als je het ziet: zo knap, je staat paf.

    • Thomas de Veen