Column

Reve en Kousbroek

Hoeveel boekenpagina’s over Gerard Reve heb ik de laatste drie jaar gelezen? Even tellen: de drie pillen Gerard Reve – Kroniek van een schuldig leven van Nop Maas (2.272 pagina’s) plus Ons leven met Reve (319 pagina’s) door zijn vrienden Teigetje en Woelrat. Maakt: 2.591 pagina’s. Was dat niet te veel van het goede? Dat was het. Heb ik er spijt van? In het geheel niet.

Deze vier boeken vormen een goudmijn van niet eerder gepubliceerde feiten over een van onze beste schrijvers van de vorige eeuw. De boeken van de outsider Maas en de insiders Teigetje en Woelrat vullen elkaar goed aan, ook al denken de laatste twee daar anders over. Wie geen animo heeft om de lijvige biografie van Maas te lezen, kan volstaan met de treffende impressies van Teigetje en Woelrat. Wie streeft naar evenwicht en volledigheid, mag zich Maas niet laten ontgaan.

Uiteraard kent iedere ervaren Reve-lezer dit leven al in grote trekken, maar toch zal hij in elk van de genoemde boeken voor verrassingen komen te staan. Laat ik voor mezelf spreken en me beperken tot Maas’ laatste deel, De late jaren.

Wat mij vooral verbaasde was de sterke vriendschapsband die er jarenlang tussen Reve en Rudy Kousbroek heeft bestaan. Ze kenden elkaar goed, dat wisten we, Kousbroek vertelde er al over in een interview met NRC-kunstredacteur Lien Heyting. Maar het ging veel verder: met Vasalis was Kousbroek op den duur nog de enige literaire vriend van Reve. Geestverwantschap was er niet, de mysticus stond naast de rationalist – een fascinerende combinatie. Hoe bezag Reve zijn vriend?

Als iemand „die voortdurend nieuwe ellende over zich afriep en die zijn talent verknoeide”, schrijft Maas. Reve jende Kousbroek met zijn rationele inslag: „Wat zie jij toch in die wetenschap? […] Heeft de schrijfmachine betere romans of gedichten opgeleverd?”

Maar tegelijk had hij grote bewondering voor zijn schrijverschap. Naar aanleiding van Kousbroeks Het meer der herinnering schrijft hij hem: „Ik kan schrijven, en ben misschien wel een genie zonder het zelf te weten, maar wat jij met zulk een verhaal kunt overbrengen, kan ik niet. […] Misschien is het een genade van God dat ik het niet kan, want wie dat schrijven kan, kan eigenlijk niet meer leven.”

Reve hielp Kousbroek materieel, en hij zou hem zelfs van zelfmoord hebben afgehouden. Toch was ook deze vriendschap gedoemd te mislukken, zoals vrijwel alle vriendschappen van Reve.

„Die Rudy K., daar ben ik voorgoed op uitgekeken”, schreef Reve in 1986 aan Hanny Michaelis, „een miesmacher, een scheurmaker, en een ontevreden mens.” Hij had genoeg van Kousbroeks categorische afwijzing van religie. Het moet voor Kousbroek, die ook al zijn vriendschap met W.F. Hermans zag stranden, een bittere ervaring zijn geweest – ook omdat het niet aan hém lag, is mijn indruk.

Nederlands beste schrijvers onder elkaar – gezellig was niet altijd het woord.

Dit voorjaar komt er een brievenboek van Kousbroek aan Reve uit, Rozen op jullie pad, een uitgave, bezorgd door Pieter Kottman, om naar uit te zien.

Welk typerend citaat zal me het meest bijblijven van al die boeken over Reve? Dit van Teigetje maakt de beste kans, vermoed ik: „Eigenlijk ben ík zijn man geworden en tegelijk zijn geweten. Ik voel me bij hem nooit beschermd, maar ik moest juist voortdurend hém beschermen en troosten. Dat doe ik met liefde, maar ik mis vaak tederheid en een gevoel van harmonie.”