Polder zoekt superboeren

Zelfs Hitler had belangstelling voor de Noordoostpolder, weet journaliste Eva Vriend te melden in Het nieuwe land. Het verhaal van een polder die perfect moest zijn. Voor de inrichting van zijn toekomstige Lebensraum in Oost-Europa dacht de Duitse bezetter te kunnen leren van de kolonisering van de nieuwe polder die midden in de Tweede Wereldoorlog was drooggevallen. Arbeiders die naar het nieuwe land gingen om de drassige kleibodem geschikt te maken voor landbouw, waren daarom eerst vrijgesteld van tewerkstelling in Duitsland. Pas laat in 1944 werden ook in de Noordoostpolder razzia’s gehouden om arbeiders en de vele onderduikers – de polder stond ook wel bekend als het Nationaal Onderduikers Paradijs – op te pakken en af te voeren naar Duitsland.

Na WO II werd de kolonisering van de Noordoostpolder, de grootste droogmakerij ter wereld, voortvarend voortgezet. Later, in 1957 en 1968, vielen ook Oostelijk en Zuidelijk Flevoland droog in het IJsselmeer, maar Vriend (1973) concentreert zich in Het nieuwe land vooral op de Noordoostpolder. Hier ging in 1952 haar grootvader pionieren als boer en volgde haar vader hem later op.

Eva Vriends grootvader was een van de uitverkoren ‘superboeren’ die in Noordoostpolder, naar een plan van de Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders, een ‘ideale maatschappij’ moesten creëren, schrijft ze. De vragen die ze met Het nieuwe land wil beantwoorden zijn: ‘Werkt dat? Kan dat zomaar? Is een samenleving maakbaar?’

Een strenge selectie van boeren en polderbewoners was volgens Vriend hét middel om de ideale maatschappij te maken. Alle drie de zuilen (protestants, katholiek en openbaar) moesten gelijkelijk zijn vertegenwoordigd in de nieuwe bevolking van de Noordoostpolder en voor de boerderijen kwamen slechts de beste boeren in aanmerking.

In de nieuwe polder moest het anders gaan dan in de Haarlemmermeer, vonden de ‘polderprofessoren’, zoals Vriend de sociologen noemt die polders bestudeerden en grote invloed hadden op de plannen van de Rijksdienst. In de tweede helft van de 19de eeuw was de grond van de ingepolderde Haarlemmermeer per opbod verkocht. Een flink aantal incapabele boeren had er lange tijd een kommervol bestaan geleid. Voor de dure grond van de Noordoostpolder waren daarom alleen de beste boeren goed genoeg.

Het grootste deel van Vriends boek bestaat uit beschrijvingen van de selectie, aan de hand van de ervaringen van haar eigen familie en die van een aantal polderarbeiders die boer in de Noordoostpolder wilden worden. De laatsten moesten vele jaren wachten, sommigen van hen werden het nooit. De eerste selectie van de ‘superboeren’ bestond uit huisbezoeken. Wie zijn huis of boerderij niet op orde had in de ogen van de ‘selecteurs’ of anderszins een ongunstige indruk maakte, kwam niet door de eerste ronde. De tweede ronde bestond uit een gesprek, vaak met Bram Linderbergh, hoofd van de sociaal-economische onderafdeling van de Rijksdienst en de grote man achter de selectie. Afgewezenen kregen een korte, zakelijke brief waarin de reden voor hun afwijzing nooit werd vermeld.

Van alle bezoeken en gesprekken zijn uitgebreide verslagen gemaakt, maar die zijn om privacyredenen bij de opheffing van de Rijksdienst IJsselmeerpolders in 1989 vernietigd. Toch heeft Vriend tweeëntwintig, diep in archieven verstopte, ingevulde beoordelingsformulieren weten te vinden. Uitgebreid citeert ze eruit. ‘Een stugge, zeer onvriendelijke man. Zijn ontwikkeling is gering. Voor de gemeenschap betekent hij niets,’ noteerde Lindenbergh over een afgewezen kandidaat-boer.

Nog langer zijn Vriends verslagen van de gesprekken met de polderarbeiders die graag een boerderij in de Noordoostpolder wilden. Hierin meet ze het langdurige leed dat de afwijzingen veroorzaakten breed uit, jammer genoeg in een tuttige stijl. ‘Prutteldepruttel, zegt de motor’, schrijft ze bijvoorbeeld nadat ze heeft vastgesteld dat de nieuwe samenleving in de Noordoostpolder al gauw net zo verzuild en standbewust is als die op het ‘oude land’.

Een belangrijker bezwaar tegen de bijna uitputtende behandeling van al het selectieleed is dat er hierdoor nauwelijks plaats is voor uitleg over de ‘perfecte samenleving' in de Noordoostpolder die de Rijksdienst en polderprofessoren voor ogen stond.

Uit het weinige dat Vriend erover schrijft, krijg je stellig de indruk dat de Rijksdienst eerder pragmatisch dan idealistisch was en dat de ‘perfecte samenleving’ niet verder ging dan de beste boeren naar de Noordoostpolder te halen. Voor de rest moest het nieuwe land vooral lijken op het oude, getuige bijvoorbeeld de eis tot precies gelijke vertegenwoordiging van alle zuilen in de bevolking.

En in het streven om van de Noordoostpolder een superboerenland te maken slaagde de Rijksdienst wonderwel. De Noordoostpolder werd een van de productiefste en modernste landbouwgebieden ter wereld, zodat de conclusie anders moet zijn dan Vriend suggereert: ‘Ja, de samenleving was maakbaar.’