Pleinen zijn onze paletten

Toen ik in de jaren zeventig Russisch studeerde, was onder linkse studenten de Sovjet-Unie nog altijd populairder dan het perfide Amerika. De lange gedichten van de futuristische dichter Vladimir Majakovski, zoals ‘Wolk in broek’, ‘Luidkeels’ en ‘De ruggengraatsfluit’, werden destijds in Amsterdam regelmatig met groot succes opgevoerd, meestal in de bevlogen vertaling van Marko Fondse.

Vladimir Majakovski (1893-1930), met eeuwige pet en peuk, was de rapper van de Russische revolutie. Hij was een van de vele kunstenaars die de revolutie van 1917 met groot enthousiasme begroetten en hun kunst in dienst probeerden te stellen van de klassenstrijd der proletariërs.

Dichters als Chlebnikov, Boerljoek, Kroetsjonych en Majakovski experimenteerden al vóór de revolutie met nieuwe woorden en klanken. Vorm was belangrijker dan inhoud. Voor Majakovski, rebel en hemelbestormer, kwam de revolutie als geroepen: hij snakte naar een radicale breuk met het verleden.

In de jaren twintig werd zijn werk steeds politieker. Met zijn plakkaatkunst was hij een van de bekendste agitprop-dichters van de Russische Federatie der Sovjet-Republieken. ‘Weg met die platte waarheden./ Maak met het oude korte metten./ De straten zijn onze penselen./ De pleinen zijn onze paletten’, dichtte hij geheel conform de tijdgeest in zijn Bevel aan het leger van de kunsten.

De opwinding die zulke strofes ooit veroorzaakten is niet helemaal meer na te voelen. Zijn gedicht ‘Derde Internationale’ is met dichtregels als ‘Wij gaan voort/ als revolutionaire lava,/ Boven de rijen/ Het vuurrode vaandel,/ Onze leider is/ de miljoenkoppige/ Derde Internationale’ nauwelijks nog serieus te nemen.

Maar de grote schreeuwlelijk schreef ook hoogst persoonlijke lyrische poëzie, bijvoorbeeld over zijn ongelukkige driehoeksverhouding met de schone Lilja, de vrouw van zijn beste vriend Osip Brik.

Net als veel van zijn collega’s raakte ook Majakovski geleidelijk aan gedesillusioneerd over de benepen bureaucratie en de hardvochtige terreur van de bolsjewieken. De Sovjet-staat dreef zelfs deze staatspoëet steeds verder in het nauw. Zijn satirische toneelstukken ‘De wandluis’ en ‘Het badhuis’ werden verboden. In 1930 pleegde hij zelfmoord, teleurgesteld in de politiek en in de liefde.

Bij uitgeverij Huis Clos verscheen een prachtige facsimile van Dlja golosa (Voor de stem), een dichtbundel die Majakovski in 1923 in Berlijn publiceerde in de typografie van grafisch ontwerper en architect El Lissitzky (1890-1941), die zich voor de gelegenheid de ‘constructor van het boek’ noemde. De dertien gedichten zijn voorbeeldig vertaald door Marja Wiebes en Margriet Berg en dat is een enorme verdienste, want Majakovski is heel moeilijk naar verteerbaar Nederlands om te zetten.

Het boekje staat vol mooie vondsten, zoals in het beroemde gedicht waarin Majakovski de zon uitnodigt neer te dalen uit de hemel om bij hem op zijn datsja thee te komen drinken: ‘Tranen vertroebelden mijn blik,/ Gek werd ik van de hitte./ Maar bij/ de samovar/ zei ik: / „Nou hemellicht – / ga zitten”!’

Het wordt een goed gesprek, tussen de zon en de dichter, die een gemeenschappelijke missie blijken te hebben: ‘Schijnen, altijd/ en overal. Er is geen andere keuze./ Schijnen/ en verder niemendal!/ Dat is ons beider/ leuze.’

In ‘Het Sprookje van het rode petje’ ontmaskert Majakovski de antirevolutionaire ‘kadetten’, zoals de leden van de liberale partij der Constitutioneel-Democraten (KD) werden genoemd. Volgens het sprookje maskeerden de kadetten zich na de revolutie met quasi-rode petjes.

Dat zij inderdaad door de bolsjewieken zijn opgepakt en uitgemoord geeft het vrolijke rijmpje achteraf een wrange bijsmaak: ‘Er was eens op aarde een kleine kadet,/ En deze kadet droeg een knalrode pet./ Behalve het enkele rood van zijn petje/ droeg onze kadet niets van rood, nog geen spetje./ En hoorde hij van revoluties, dan zette/ hij ijlings die pet op zijn hoofd, dat kadetje./ Ze leefden er goed van, kadet na kadet,/ zijn pa en zijn opa, zo was het maar net.’

Het grafisch werk en de futuristische maquettes van El Lissitzky zijn tot 28 april 2013 te zien in het Van Abbemuseum in Eindhoven op de tentoonstelling ‘Utopie en werkelijkheid’. Daar hangt zijn optimistische werk tegenover de ironische tekeningen en installaties van Ilja Kabakov (1933) en Emilia Kabakov (1945), die sinds de jaren tachtig het einde van de totalitaire utopie verzinnebeelden.

Lissitzky’s modernistische ontwerp voor een ‘wooncel’ van de toekomst en zijn beroemde spreekgestoelte voor Vladimir Lenin contrasteert hier met Kabakovs ‘Doos met rotzooi’, zijn model van een keuken in een Sovjet-kommoenalka (collectieve woning) en zijn ‘Monument voor een tiran’. Voor Majakovski kwam het pijnlijke inzicht nog vóór de jaren van de Grote Terreur: de droom was stukgelopen op de werkelijkheid.

    • Laura Starink