Niet angstig zijn is levenskunst

Een psychiatrisch patiënt als vader en dan ontdekken dat je als dochter onder dezelfde angsten en twijfel lijdt. In een journalistiek boek gaat Christine Otten op zelfonderzoek, en komt tot inzichten.

Waarom vinden veel mensen, zeker als ze ouder worden, het zo prettig om herinneringen op te halen, hetzij mondeling, hetzij op papier? In Om adem te kunnen halen geeft de 51-jarige schrijfster/performer Christine Otten een plausibele reden. Ze vermoedt dat het onder woorden brengen van herinneringen ‘een soort herkansing’ is. En zo heb ik haar ‘memoir’, die draait om de relatie met haar psychisch gestoorde vader, ook begrepen. In deze familiekroniek, waarin alle personages onder hun eigen naam figureren, haalt Christine Otten herinneringen op die haar nieuwe kansen bieden.

Om zich te bevrijden van angsten die te maken hebben met de geestesziekte van haar vader, keert Otten terug naar haar geboortestad Deventer. Na jarenlang ieder contact te hebben gemeden, bezoekt ze haar vader in zijn psychiatrische inrichting. Ze wil begrijpen wat hem mankeert en erachter komen of zij wellicht erfelijk belast is.

Op haar 25ste, aan het begin van haar journalistieke loopbaan, is zij zo in de war geraakt dat ze onder behandeling van een psychiater kwam en haar journalistieke ambities moest laten varen. Ook haar vaders psychische problemen, zo maakt ze op uit zijn verhalen, begonnen met gefnuikte ambities en een verlammende angst om niet aan zijn eigen verwachtingen te kunnen voldoen.

Anders dan haar vader wist Otten te herstellen van haar burn-out. In 1995 gaf ze haar door de aandoening van haar vader verpeste jeugd een glorieuze herkansing met haar romandebuut Blauw Metaal. Daarop volgden succesvolle literaire non-fictie boeken zoals De laatste dichters (2004) en romans als In wonderland (2010), waarin ze in bedekte vorm haar eigen angsten bezweert.

Die bedekking is in Om adem te kunnen halen verdwenen, alles is direct aan de werkelijkheid ontleend. Het boek is dan ook onmogelijk als roman te bestempelen, alhoewel er fictieve elementen in zitten, waarbij de schrijfster in het hoofd van de vader kruipt. Dat zijn ook meteen de zwakste chapiters.

Vlak voor zijn dood laat Otten haar 83-jarige gehospitaliseerde vader denken dat zijn dochter van hem houdt. Ze heeft hem dat nooit gezegd, maar nu meent hij door een gesloten autoraampje al liplezend te kunnen begrijpen dat ze deze woorden, tevens de laatste van het boek, uitspreekt. Het is een uit de toon vallende, sentimentele passage, waarvan de klefheid nog versterkt wordt door de opdracht ‘Voor mijn vader’ waar het boek mee opent. De suggestie is dat niet alleen Christine Otten door het (re)construeren van haar herinneringen een herkansing krijgt, maar dat dit ook geldt voor de vader en hun wederzijdse relatie.

Medicijnen

De wens is hier de vader van de gedachte. In werkelijkheid is het onwaarschijnlijk dat een suffe, zwaar zieke oude man die onder de medicijnen zit, hunkert naar de liefde van zijn dochter. Die dochter zelf geeft niets (meer) om hem, zoals blijkt uit de krachtigste stukken in Om adem te kunnen halen waarin ze hem tot twee keer toe het huis uitzet. Als veertienjarige wijst ze hem de deur als hij uit een psychiatrische inrichting is ontsnapt, de tweede keer als hij haar onaangekondigd bezoekt terwijl ze hoogzwanger is.

Het zijn indringend beschreven momenten waarop ze de angst overwint dat haar vader haar leven overneemt en afpakt. Van jongs af aan heeft ze die angst voor haar vader gevoeld: ‘Alsof hij in staat was alles van haar af te pakken, alles waarvan ze hield, alles wat ze had opgebouwd tot nu toe, haar gezin, haar carrière. Hij was het levende bewijs dat je kon verliezen in dit leven.’

Otten wisselt in dit als journalistieke reportage geschreven boek haar bezoeken aan Deventer af met herinneringen aan haar Amerikaanse reizen en ontmoetingen met haar zwarte vrienden, zoals de dichter/performer Umar Bin Hassan die we al uit De laatste dichters kennen. Deze drop out maakt haar deelgenoot van zijn angsten. ‘Ik heb altijd geweten dat er gekte in onze familie zit’, zei Umar. ‘En dat dat mogelijk ook in mij huist. Mijn vader spoorde niet, hij dronk en terroriseerde ons.’ Umar, zelf lange tijd drugsverslaafd en ontspoord, heeft nauwelijks contact met zijn eigen kinderen die hem haten – alsof de geschiedenis zich herhaalt. Om zijn Nederlandse vriendin daarvoor te behoeden, raadt hij haar aan het contact met haar vader te herstellen en zo haar angsten te overwinnen.

Van een andere Amerikaanse vriend, met wie ze over de fascinatie van haar grootouders voor de zwarte communistische zanger Paul Robeson spreekt, krijgt ze het advies om in plaats van over zwarte dichters over haar eigen familie te schrijven. Dat blijkt een gouden tip, die niet alleen leidt tot ontroerende beschrijvingen van haar straatarme communistische en anarchistische grootouders, maar ook tot een beter begrip van de angsten en desillusies waarmee zij is opgegroeid. Uit gesprekken met haar moeder, oom en tante rijst een huiveringwekkend beeld op van het benarde leven in de provincie tijdens en na de Tweede Wereldoorlog.

Knutteldorp

Ottens ouders leerden elkaar kennen op een toneelvereniging in de ter verheffing van de arbeiders gebouwde wijk Knutteldorp aan de rand van Deventer. Ze hadden grote idealen en ambities, die nergens op uitliepen. ‘A Streetcar Named Desire’, het in Ottens favoriete stad New Orleans spelende toneelstuk van Tennessee Williams, waarin ze de hoofdrollen vertolkten, mocht in Deventer niet worden opgevoerd.

Moeder leed onder het saaie huwelijk met haar buiten de Bühne kleurloze echtgenoot, vader durfde, uit angst zijn baan als boekhouder te verliezen, tijdens de Koude Oorlog niet voor zijn mening uit te komen. Hij was zo bang als ‘links’ ontmaskerd te worden, dat hij zijn communistische krant De Waarheid in een gesloten enveloppe thuis liet bezorgen. Zijn dochter vermoedt dat de schaamte over zijn eigen lafheid en de vernederingen die hij zich heeft laten welgevallen hem arbeidsongeschikt en krankzinnig maakten.

Een echo van wat haar vader op zijn werk is overkomen, klinkt door als Christine Otten in 1985 instort op de redactie van Vrij Nederland. Nadat ze, gekweld door zelftwijfel en angsten, heeft geweigerd politiek redacteur te worden en de hoofdredacteur zijn vertrouwen in haar opzegt, belandt ze bij de psychiater. Die zet haar op hetzelfde soevereine spoor als het communistische boegbeeld in Deventer, Theo Hendriks, bij wie ze te rade gaat omdat ze in hem een beter geslaagde versie van haar vader ziet. ‘Precies even oud, alleen veel minder bang.’

Uitgerekend van hem krijgt ze te horen dat hij voor de CPN gemeenteraadslid is geworden wegens zijn door de nazi’s in Neuengamme vermoorde vader. Veel liever was hij naar de kunstacademie gegaan. ‘Jouw vader was vast ook voorbestemd voor betere dingen, en dat wist hij zelf ook, maar dat zat er domweg niet in voor ons. En de een kon daar beter mee overweg dan de ander.’

Na dit gesprek voelt ze zich verlost van haar angst om, net als haar vader, ‘zonder kern’ door het leven te moeten. Misschien, denkt ze, bestaat zo’n kern helemaal niet, is het een verzinsel, ‘en is het juist de bedoeling dat een mens balanceert op de rand, is het de kunst daar niet bang voor te zijn.’

Die bevrijdende conclusie lijkt me de kern van deze openhartige ‘memoir’, waarvan de charme is dat het geen roman is. Evenals het superieure Ons kamp (1912) waarin journaliste Marja Vuijsje een speurtocht naar háár vader onderneemt, is Om adem te kunnen halen een op de realiteit gebaseerd zelfonderzoek dat breed uitwaaierende inzichten biedt in de historische en, deels toevallige, persoonlijke omstandigheden waardoor mensen worden gevormd.

    • Elsbeth Etty