Gallische genomineerden

Een weinig vrolijk mensbeeld spreekt uit het werk van de genomineerden voor de VSB-Poëzieprijs, veruit het best verwoord in Mijn naam is Legioen van Menno Wigman.

De VSB Poëzieprijs 2013 moet gaan naar Mijn naam is legioen van Menno Wigman. Niet dat het werk van de andere vier genomineerden zo onbetekenend is, maar de bundel van Wigman is gewoonweg belachelijk goed. In Mijn naam is Legioen treedt een tot wasdom gekomen dichter naar voren die scherper, soepeler en nietsontziender dan ooit is. Daar kunnen de bundels van Ester Naomi Perquin, Luuk Gruwez, H.H. ter Balkt en Sybren Polet niet aan tippen.

Perquin en Gruwez zijn mooischrijvers die een fascinatie voor het kwaad delen. In Celinspecties stelt Perquin portretten van tien gedetineerden op. Het zijn gedichten over donkere gedachten, ‘dolle honden’ in hun kop of een obsessie voor meisjes.

De sierlijke formuleringen van Perquin verlenen de moordenaars de gloed van poëten. Bart V., bij wie het lijkt alsof hij meerdere mensen heeft gedood door in het rond te schieten, zegt over een slachtoffer: ‘Ze lachte heel even en daarna/ viel ze neer alsof ze een jas was geweest/ die ineens van een hangertje gleed.’ Misdaad wordt een krul in de taal.

Interessanter is het als Perquin verder reikt dan een observatie. David H., een man die kennelijk een meisje van haar fiets heeft gesleurd en vermoord, vraagt zich af ‘Of ze had bestaan als ik haar door had laten rijden.’ Natuurlijk. Maar achter deze vraag ligt een wereld waarin bestaan gelijk wordt aan media-aandacht.

Ook over gedichten die geen gedetineerde als onderwerp hebben, hangt de schaduw van geweld. Het effect is wisselend. Heel mooi is ‘Als je me kwijtraakt’, een gedicht over een afscheid, dat in deze context net zo goed een vermissing kan zijn.

Aan een titel als Wijvenheide kun je al zien dat Luuk Gruwez van goedgebekt en tegendraads houdt. Als de zinnen lekker lopen hoor je de dichter fluiten. De eerste van de bundel: ‘Het was in de tijd dat de dieren nog meertalig waren.’ Andere zin: ‘Niet één gevangenis, zegt hij, is meer betralied dan de ouderdom.’

Pennenridders

Gelegenheid om te allitereren of assoneren gaat Gruwez niet uit de weg. In poëzie is zulke klankmuziek vaak muzak en ook deze dichter is op goedkoop gerijm te betrappen als hij dichters bijvoorbeeld ‘povere pennenridders’ noemt of het heeft over ‘flonkerende flaters’. Maar hij komt ook tot subtielere combinaties, zoals in het sterke gedicht ‘Oma’s metafysica’: ‘Zij drinkt white spirit uit een soepterrine, slurpt cyaankali met een rietje of propt zich tussendoor met ijzervijlsel vol.’

Het portret van oma is behalve mooi gezegd ook liefdevol, en dat voel je te weinig – dat de dichter er met zijn hart in zit. In deze bundel gaat het veel over afscheid en dood, maar zonder dat het veel emotie oproept. Een surplus aan techniek leidt niet vanzelf tot zeggingskracht.

Zo afgepast als de poëzie van Gruwez aandoet, zo ruw voelt die van H.H. ter Balkt, de winnaar van de P.C. Hooftprijs, wiens naam nog jammerlijk ontbreekt onder de gelauwerden van bijna twintig jaar VSB Poëzieprijs. Zijn status zou een comeback zijn voor de prijs die met de bekroning, vorig jaar, van de postmoderne nonpoëzie van Jan Lauwereyns aan prestige inboette.

In het genomineerde Vliegtuigmagneet is Ter Balkt op dreef. Bij hem zijn de wereld en de taal voortdurend in beweging, schotsje springend van landweg naar literair wapenfeit naar historische gebeurtenis. Door alles steekt zijn verbondenheid met de natuur en wat leeft: ‘koude wind over de waterzuivering/ aan de Zwartewaterallee bij de nertsfarm’.

Zijn thuisland is Oost-Nederland, maar zijn blik boort overal, venijnig of met erbarmen: ‘en vuil is de wereld als oom Hendriks/ voetzool, maar opeens voert de wind muziek,/ die droefenis om de wereld is, aan.’

De 74-jarige Ter Balkt is niet de oudste van de vijf, dat is de al 88-jarige Sybren Polet. Zijn Vitualia. Teletonen is een mal ding, opgetrokken uit bizarre taalbouwsels over de nieuwe mens en de nieuwe wereld. Zie zinnen als ‘Vage relaties van intuïtieve calculus/ in een gedomesticeerd tohuwabohu,/ boordevol ontluikende halfmetamorfosen’. Maar de aantekeningen achterin zijn leerzaam.

Tarkovski

Wie nerd of de would-be filosoof is, of die in zichzelf opzoekt, beleeft bij Ter Balkt coole momenten. Bij vlagen waan je je in een ongrijpbare film van Tarkovski, het andere moment doen de kortaffe regels aan als maffe sciencefiction, bijna camp. Lichtzinnig en geestig (‘Dichten is als een dravend paard begraven.’) wisselt af met gewichtig: ‘Alle vernieuwing komt voort uit onevenwichtige taalsituaties.’ Het zou mooi zijn als iemand deze bundel wil verstrippen.

De vijf genomineerden delen hun weinig rooskleurige kijk op de mens en wereld. Verder is bij Wigman alles anders. In de eerste negen gedichten schrijft hij over een zwaarmoedige fase waarin hij de literatuur en de liefde moe is. ‘Geen hoop, geen zin, geen bedvriendin.’ De taal is kaal, de toon gallisch. De dichter staat naakt. Dat het bezonken emoties zijn, besef je in tweede instantie, als je gewaar wordt hoe zorgvuldig deze intense poëzie gekneed is – en hoe raak. Elk gedicht komt aan als een knietje.

De spankracht blijft verder in de bundel goeddeels bewaard, al is de persoonlijke inzet niet steeds even hoog. Flonkerende zinnen te over om te citeren. Het gedicht ‘Egmond aan Zee’ begint met: ‘Het is een volk van stugge gutturalen./ Het gromt en godverdomt zich door de dagen.’

Geen dichter schrijft momenteel beter over ziekte en dood dan Wigman. IJzersterk zijn die gedichten, met als uitschieter ‘Kamer 421’, over de einddagen van zijn moeder, waarin hij herhaalt dat zij ‘kapot’ gaat. ‘Ik lepel bevend eten in haar mond/ en weet haast zeker dat ze me nog kent.’ De VSB Poëzieprijs 2013 moet naar Mijn naam is Legioen, een bundel die de tijd zal trotseren en bloemlezingen zal vullen.

De VSB Poëzieprijs 2013 wordt woensdag 30 januari uitgereikt in Utrecht.

    • Ron Rijghard