'Frankrijk zit vast in het verleden'

Het debuut van Alexis Jenni, een oorlogspanorama, werd prompt bekroond met de Prix Goncourt 2011. ‘Ik verlangde vreselijk naar verhalen over vroeger, maar niemand die ze wilde vertellen’.

Nederland, Amsterdam, 28-11-2012 Alexis Jenni is a French novelist and biology teacher. His debut novel, L'Art français de la guerre, won the 2011 Prix Goncourt, France's most prestigious literary award. PHOTO AND COPYRIGHT ROGER CREMERS Roger Cremers - 2012

‘Ik was al 25 jaar een beroemde schrijver, alleen was ik de enige die dat wist”, lacht Alexis Jenni, „nu weet de rest dat ook.” Helemaal overdreven is dat niet: zijn debuutroman In tijden van oorlog kreeg vorig jaar de Prix Goncourt 2011, Frankrijks belangrijkste literaire prijs. Decennialang schreef Alexis Jenni (Lyon, 1963) het ene verhaal na het andere, ook al gaven alle uitgeverijen aan wie hij zijn manuscripten stuurde hem nul op het rekest: „Tien keer, vijftien keer, wel twintig keer.” Hij ging gewoon door, ook al erkende niemand zijn talent. „De een gaat op zondag vissen, de ander schilderen, ik houd van schrijven, dus waarom zou ik ermee ophouden?”

Jenni is nog steeds biologieleraar op een middelbare school in Lyon. In 2005 begon hij aan wat L’art français de la guerre zou worden, zoals de titel luidt. Vijf jaar schreef hij tussen de lessen door, ’s avonds, in het weekend. Hij doet aan mediteren, beoefent tai chi. Daardoor kan hij in een paar seconden van de ene in de andere wereld stappen en zich daarop volledig concentreren. Zijn collega-docenten zijn stinkend jaloers op zijn succes, zijn leerlingen vonden het geweldig dat hij op de televisie kwam. Maar nee, ze hebben zijn boek niet gelezen. Te dik, denkt hij.

Inderdaad telt zijn boek, in de Nederlandse vertaling zo’n 7 centimeter dik, 637 bladzijden. Het is een (koloniaal) oorlogspanorama, verteld aan de hand van twee personages. De een is een naamloze jongeman uit Lyon die in 1991, vanuit zijn bed, op de televisie ziet hoe in Irak de Golfoorlog begint. Waarom houdt Frankrijk niet van zijn militairen?, vraagt hij zich af. En hoe voelt dat, een oorlog voeren?

Dat wordt hem uit de doeken gedaan door de andere hoofdpersoon, een oud-officier en parachutist die in zo ongeveer alle Franse oorlogen in de 20ste eeuw heeft gevochten. De officier heeft niet alleen een prachtige militaire carrière gemaakt, maar is ook een geweldig tekenaar. De jongeman wil dolgraag leren tekenen en schrijft, in ruil voor tekenles, het levensverhaal van zijn tekendocent.

Daaruit bestaat de roman, een meanderend verhaal vol anekdotes, uitweidingen, bijzaken en bijfiguren, dialogen, essayachtige stukken en indirecte commentaren op de actualiteit. De overdracht van kennis, vaardigheden en ervaring van de een naar de ander loopt er als een rode draad doorheen.

Jenni: „Mijn ouders vertelden me niets over hun leven, niets over henzelf. Dat heb ik altijd als een enorm gemis gevoeld. Er is in mijn familie nooit iets doorgegeven, herinneringen werden nooit gedeeld. Wat ik weet is wat ik toevallig opving, wat ik las, wat ik vond. Ik heb verlangd naar verhalen over vroeger, maar niemand die ze wilde vertellen.

„Daarom heb ik een oude man verzonnen die juist heel veel dingen aan een jongere man wil vertellen. Ik kan bijvoorbeeld ook helemaal niet goed tekenen, maar ik zou het graag wíllen kunnen. Daarom heb ik iemand in het leven geroepen die tekenen beheerst. Camus zei het al, een schrijver schrijft met zijn verlangens, niet met zijn werkelijkheid.”

Uw vader was docent Duits, uw moeder documentaliste, toch bij uitstek beroepen waar het om overdracht gaat. Had hun stilte met de oorlog te maken?

„Degenen die de oorlog hebben meegemaakt zwijgen daar het liefst over. Oorlogen zijn gecompliceerd, hard en gewelddadig, niemand weet precies hoe je daarover moet praten. Tussen 1956 en 1962 zijn in Frankrijk alle jongens van rond de 18, meer dan een miljoen, voor de vervulling van hun militaire dienstplicht naar Algerije gestuurd.

„Mijn vader niet – hij gaf Duits op een militaire academie –, maar veel vrienden van mijn ouders wel. Daar kwamen ze midden in een militaire actie terecht. Toen ze terugkwamen, waren ze getraumatiseerd. Niemand sprak erover. Ze schaamden zich. Ergens getuige van zijn maakt je medeplichtig. In de jaren zeventig en tachtig worstelden die mannen met depressies of ze straalden juist het andere uiterste uit: misplaatste arrogantie.”

Uw hoofdpersoon vertelt zijn verhaal met alle gruwelijkheden, in alle openheid. Verklaart dat het succes van uw boek?

„Toen ik jong was was het verhaal over de Tweede Wereldoorlog eenduidig: wij waren de goeden, de Duitsers de slechten. Dat was tenminste duidelijk. Maar de rol van het Franse leger in Algerije was ambigu, dan weet je niet meer wie de goeden en de slechten zijn. En dan wordt het een taboe, dan zwijg je.

„Het materiaal voor mijn roman heb ik in openbare bronnen gevonden, de feiten zijn bekend, maar het grote verhaal dat vertelt wat koloniën zijn, waarom die er waren, wat de Algerijnse onafhankelijkheidsoorlog voor Frankrijk betekende, dat verhaal was nog niet geschreven. Mijn boek is ontvangen alsof dat voor het eerst op een homogene manier werd verteld.”

In uw boek velt u geen moreel oordeel. Dat heeft vast meegespeeld in de positieve ontvangst.

„Als het om de evaluatie van oorlogen gaat, heeft Frankrijk een probleem. Onlangs ontmoette ik een gedeputeerde van uiterst rechts die vond dat Frankrijk zijn eer had verdedigd in Algerije; men moest immers een antwoord geven op moordenaarsgedrag. Dat is, karikaturaal gezegd, het discours van rechts.

„Links zegt dat Frankrijk oorlogsmisdaden heeft gepleegd, vergelijkbaar met die van nazi-Duitsland. Het debat is gepolariseerd, de stellingen zijn onverenigbaar, er is geen inhoudelijke discussie. Ik heb het verhaal willen vertellen vanuit menselijk oogpunt, van sommige mensen kun je gewoon niet zeggen of ze helden of schurken zijn. Dus heb ik ze beschreven zonder te oordelen.”

U zet vraagtekens bij generaal De Gaulle, u noemt hem ‘de Grote Romanschrijver’.

„De Gaulle is een Franse obsessie, in het Franse politieke discours van nu blijft wat De Gaulle heeft gezegd heilig. Je kunt iets bewijzen door hem te citeren. Hij was een man van het woord, van de pen. Een rooms-katholieke, megalomane, 19de-eeuwse grand bourgeois, die Frankrijk uit de afgrond heeft gered, zijn zelfvertrouwen teruggegeven. In zijn memoires heeft hij Frankrijks geschiedenis gereconstrueerd. Maar het land is veranderd, de geschiedenis moet permanent worden herschreven en daar is het nu tijd voor.”

‘Frankrijk is een tekort aan lucht’, schrijft u, ‘een manier van sterven’, ‘leven in Frankrijk is een lange zondag die slecht eindigt’. Dat is hard. U schreef het laatste deel van uw boek tijdens het debat over Frankrijks identiteit. Wilde u zo indirect aan dit debat meedoen?

„Het Frankrijk met een grote F, waar ik het over heb in mijn boek, is het traditionele Frankrijk van mijn 95-jarige grootvader; als hij het woord uitspreekt hoor je die hoofdletter. Het is het geïdealiseerde Frankrijk van de provinciestad, van de familiezondag, de familiebrunch, het familiediner... en langzaam krijg je het steeds benauwder, word je gesmoord, stik je. Het Frankrijk van nu is heel anders. Toch zitten we vast in dat verleden en slagen we er niet in de weg naar de toekomst te vinden.

„Ons probleem met de mensen van Arabische afkomst is enorm. Ik woon in Lyon, een relatief kleine stad, waar grote spanningen zijn. De agenten daar zijn een soort militairen, ze opereren als een interventiemacht. Absurd, het lokt alleen maar geweld uit. Dat is nu ‘l’art français de faire la guerre’, er is een probleem dat veranderd wordt in een permanent conflict. Dat lukt, zolang je maar een vijand vindt. Nu is dat de jongere uit de banlieue, de islamist, degene die niet wil integreren. Is religie zo belangrijk? Ik weet het niet. Frankrijk zit gewoon in een impasse.”

Jenni raakt in vuur en vlam bij dit onderwerp, hij praat door, draagt anekdotes aan. Toch wil ik ook het einde van het boek met hem bespreken. Zijn politieke engagement komt vooral naar voren in de laatste honderd bladzijden; de toon wordt essayistisch, de roman verdwijnt achter de horizon.

De lezer heeft 637 bladzijden achter de rug en komt aan bij de laatste vier bladzijden. Die waren een teleurstelling, zeg ik tegen Jenni, zelfs ronduit kitsch. Een geslacht dat opzwelt, naar binnengaat, afijn, het ultieme geluk bevindt zich tussen de benen van de vrouw.

Moest dat nou echt, op die manier?

„Kunst en liefde redden ons in het leven.”

Ik veronderstel dat hij daarmee ‘ja’ bedoelt.

Alexis Jenni: In tijden van oorlog. Vertaald door Henriëtte Gorthuis en Jeanne Holierhoek. De Geus, 637 blz. € 25,-