‘Euroscepsis lijkt een Britse ziekte’

David Hannay was de Britse vertegenwoordiger bij de EU ten tijde van Thatcher. „Ze speelde geen Russische roulette met EU-lidmaatschap.”

Britten die denken dat het debat over Europa zal verstommen na een referendum over het lidmaatschap van de Europese Unie „houden zichzelf voor de gek”. Lord David Hannay spreekt uit ervaring. Hij zat in 1975 „aan de andere kant” in Brussel, toen de Britten de eerste keer heronderhandelden over hun lidmaatschap en een referendum hielden. Er zijn „tamelijk veel” parallellen tussen toen en nu, zegt hij.

Hannay sprak aan de vooravond van David Camerons toespraak van woensdag, waarin hij een referendum aankondigde over het Britse EU-lidmaatschap, voor een gezelschap in Europe House, het kantoor van de Europese Commissie en het Europees Parlement in Londen. Maar ook het gebouw waar Cameron in 1988 zijn politieke carrière begon – tot 2003 was dit het hoofdkantoor van de Conservatieve Partij.

Wat Hannay opvalt, is dat „de retoriek die Margaret Thatcher gebruikte en die nu effect heeft op haar ‘kinderen’, in geen relatie staat tot wat ze eigenlijk zei”. Thatcher maakte volgens Hannay „absoluut duidelijk dat ze géén Russische roulette wilde spelen met het Britse lidmaatschap. Je zult geen referenties vinden over terugtrekking.”

Net als toen speelt ook nu in het Europese debat de Britse politiek een rol, zegt Hannay. Toen was het Labour, en minister van Buitenlandse Zaken James Calaghan (de latere premier) die op een top in Luxemburg „een openingssalvo gaf”. En net als nu was de toespraak vooral voor eurosceptici in de eigen partij bedoeld. Toen dus Labour, nu de Conservatieven: „Soms denk ik dat het een besmettelijke ziekte is.”

En er zijn meer parallellen: net als in 1975 ziet Hannay „normale Europese aangelegenheden” op de wensenlijst van de regering staan, die inderdaad in het nationale belang zijn om te regelen. Maar de heronderhandelingen van toen vonden met „weinig gedoe” plaats. De Britten pleitten niet voor een verdragswijziging. Het doel was „heronderhandelen zonder tranen”. En de andere lidstaten beseften dat de Britten een „slechte deal” hadden gekregen bij hun toetreding. Nu, ziet hij, geldt het tegenovergestelde en bestaat in Europa het idee dat „de interne markt in Londen is gemaakt”.

Een ander verschil is dat de Britse pers in 1975 voorstander was van de EU. Nu zijn de media „opnieuw onevenwichtig”, maar op een tegenovergestelde manier: tabloids voeren hevig campagne tegen Europa.

Toen onthield de Europese Commissie zich bovendien van commentaar, althans voor de schermen. Tijdens het referendum werd het Commissieleden zelfs verboden „het Kanaal over te steken”. Een wijs besluit, vindt Hannay nog steeds: „Externe bemoeienis is nooit positief.” Voor president Obama – die de Britten openlijk waarschuwde niet uit de EU te stappen – maakt hij een uitzondering: „Dat was geen inmenging, hij maakte duidelijk dat de VS niet willen dat de Britten de EU verlaten, en dat een trans-Atlantische relatie niet aan de orde is.”

Een referendum is geen oplossing, vindt Hannay. In 1975 won het ‘in’-kamp. Maar binnen enkele maanden roerden de eurosceptici zich weer, en dwongen ze de Labour-regering tot een harde opstelling. „Kijk naar de [Conservatieve] eurosceptici nu. Denk je dat ze een openbaring zullen hebben als ‘in’ wint? Natuurlijk niet.” Andersom zullen ook de pro-Europeanen niet opgeven. Al was Hannay verbaasd dat zij tot enkele weken geleden „passief en lethargisch” bleven. Maar ze hebben nog tijd, meent Hannay, voor 2015 zal er niet veel gebeuren.

David Hannay: Britain’s Quest for a Role: A Diplomatic Memoir from Europe to the UN