De waarheid is poreus

Het oeuvre van Jan Brokken, schrijver van fictie en non-fictie, is gebouwd op goed luisteren. Zijn nieuwste boek inventariseert wat er gebeurd kan zijn op die fatale oorlogsdag, 10 oktober 1944, in Rhoon.

Nederland, Amsterdam, 23-01-2013 Jan Brokken, Nederlandse schrijver. PHOTO AND COPYRIGHT ROGER CREMERS Roger Cremers - 2013

Goed luisteren speelt altijd een belangrijke rol in het werk van Jan Brokken. Het viel me voor het eerst op toen ik vanaf eind jaren zeventig zijn interviews met schrijvers en musici in De Haagse Post verslond. Literaire goden als J.M.A. Biesheuvel, Maarten ’t Hart en F.B. Hotz gaven je daarin een ongekend persoonlijk inkijkje in hun creatieve en persoonlijke beslommeringen. Van het kunstenaarschap van Bernard Haitink, bekend om zijn ondoorgrondelijke karakter, kon je dankzij Brokken eindelijk iets begrijpen.

Dat talent voor gewogen luisteren mondde in 2008 uit in de biografische roman In het huis van de dichter. Behalve een verslag van een vriendschap met de Russische pianist Youri Egorov, die op jonge leeftijd in Nederlandse ballingschap aan aids overleed, is dat boek een indringend portret van een gekwelde kunstenaar, die ten onder gaat aan zijn angst voor represailles door de Russische autoriteiten.

In zijn bijzondere Baltische zielen van twee jaar later definieerde Brokken luisteren als ‘de kortste en leerzaamste omweg naar jezelf’. Aan de hand van de lotgevallen van bekende en onbekende inwoners van Estland, Letland en Litouwen, zoals een door Stalin vervolgde boekhandelaarsdochter, Sovjet-filmregisseur Sergej Eisenstein en diens vader, filosofe Hannah Arendt, violist Gidon Kremer, schrijver Romain Gary, componist Arvo Pärt en de adellijke Lotti von Wrangel, schetste hij als in een fuga van Bach de roerige geschiedenis van een vergeten gebied, dat in de 20ste eeuw werd gekneveld door zowel de nazi’s als de Sovjet-Unie. Het Balticum lag dankzij Brokken ineens, als een eiland van westerse beschaving, om de hoek bij Zevenaar.

In De vergelding. Een dorp in tijden van oorlog probeert Brokken opnieuw de ziel van een andere wereld te tonen: die van zijn geboorteplaats Rhoon, op de Zuid-Hollandse eilanden, tijdens de Duitse bezetting. Voor Brokkenfans is die keuze niet vreemd. Over zijn jeugd als domineeszoon in dat tuindersdorp en de ondergang van zijn door het Jappenkamp getraumatiseerde vader schreef hij eerder de autobiografische roman Mijn kleine waanzin.

In De vergelding betreedt hij een ander spoor en zoomt hij in op de kleine luyden en hun eigenaardigheden, die bij elkaar genomen ‘de Nederlandse volksaard’ vormen: stugheid, afgunst, schaamte, naïviteit, bemoei- en regelzucht, fatsoen, en vooral losbandigheid zodra de vertrouwde regels ineens niet meer gelden, zoals in oorlogstijd.

Bij Brokken is die laatste nationale eigenschap de opmaat tot een waargebeurde nachtmerrie, die door hem nauwgezet wordt gereconstrueerd. Ook nu doet hij dat in de eerste plaats door aandachtig te luisteren, dit keer naar de stemmen van een kleine tweehonderd dorpsbewoners, die mogelijk kunnen verklaren wie er achter een vermeende sabotage-actie zit, waarbij op de avond van 10 oktober 1944 een Duitse matroos is gedood. Als vergelding zijn toen zeven Rhoonaren opgepakt en geëxecuteerd, hun vrouwen en kinderen uit hun huizen verjaagd, hun have en goed in brand gestoken.

Die executie blijkt het dorp tot op de dag van vandaag te verdelen, omdat nog altijd niet duidelijk is wie de sabotage heeft gepleegd en of er niet gewoon sprake was van een ongeluk. Het leed van toen is dus nog altijd voelbaar, wat op zichzelf een goede les is voor iedereen die de Tweede Wereldoorlog wil bagatelliseren. Niet voor niets citeert Brokken op de eerste bladzijde van zijn boek een zin uit de oorlogsroman Leven en lot van de Russische schrijver Vasili Grossman: ‘Waarom blijft het verleden zo pijnlijk?’

Rhoon is in de oorlogsjaren een dorp zoals er zo veel in Nederland zijn geweest, met een kleine elite van herenboeren, een dorpsdokter, een gereformeerde en een hervormde dominee, een pastoor, een notaris, een burgemeester en de grote rest van de lokale bevolking, bestaande uit kleine boeren, tuinders, landarbeiders en ambachtslieden. De burgemeester gaat af en toe bij de Ortskommandant op de koffie om de belangen van de elite veilig te stellen en verder gebeurt er helemaal niets.

Het gros van de Rhoonaren merkt pas serieus iets van de oorlog wanneer in het laatste oorlogsjaar razzia’s in de steden worden gehouden om mannen voor de Arbeitseinsatz naar Duitsland af te voeren. Rhoon stroomt ineens vol met onderduikers.

In het dorp lopen de verhoudingen door elkaar. Pro-Duitse vrouwen zijn getrouwd met anti-Duitse mannen, de gereformeerde dominee zit in het verzet, de hervormde is een NSB’er, sommige dorpsbewoners sluiten vriendschap met Duitse soldaten, omdat die soms heel aardig jongens zijn.

De veertienjarige Sien en haar negen jaar oudere zus Dien de Regt hebben omgang met twee matrozen van de Kriegsmarine, Ernst Lange en Walter Loos. De vrouwen komen uit een gereformeerd gezin, wat Brokken onderstreept, omdat gereformeerden Hitler als de Satan uit het oosten zagen. Twee broers zitten in het verzet.

Sien ziet de oorlog als een grote vakantie. Ze hoeft niet meer naar school en heeft geen werk. De jongens uit het dorp vindt ze saai. Nee, dan de 18-jarige Ernst Lange, met zijn gymnasiale uiterlijk. Een attente, zachtaardige jongen.

De brutale Dien heeft een andere smaak. Haar Walter is niet zo’n braverik als Lange, maar een echte stoere nazi. Als onderofficier voert hij het bevel over de vijftien manschappen die aan de Rijsdijk zijn ingekwartierd. Hij is het stereotype van de bazige, ‘Ausweis bitte!’ schreeuwende mof.

De twee vrouwen en hun vrijers zijn de sleutelfiguren van het drama dat zich op de avond van 10 oktober 1944 afspeelt en het leven in het dorp voorgoed zal verstoren. Belangrijke bijrollen worden vertolkt door de neurotische lokale commandant, luitenant Schmitz, en door Jan Krijn Jabaaij, de groepsleider van de NSB en een goede vriend van Loos.

Jabaaij ‘genoot van de macht en invloed die de oorlog hem gaf’, schrijft Brokken, die zo in een paar woorden neerzet hoe de bezetting een saai leven kon veranderen. Hetzelfde doet hij met Linda de Bondt, de vriendin van de NSB-groepsleider: ‘Ze was vierentwintig, jong getrouwd, jong gescheiden, lid van de NSB, peroxideblond, gek op zwarte uniformen en glanzend gepoetste laarzen.’

Op die 10de oktober lopen Loos, Lange en soldaat Heinz Willems met Sien en Dien ’s avonds over de in duisternis gehulde Rijsdijk. Ze passeren Het Sluisje, waar ze worden gadegeslagen door drie mannen, die genieten van de laatste minuten voordat het uitgaansverbod ingaat.

De vijf gaan langs bij dorpsdel Dirkje de Ruyter, de vrouw van een naar Engeland uitgeweken verzetstrijder. Zij geeft gelegenheid aan andere vrouwen uit het dorp die willen drinken, dansen en vrijen met Duitse soldaten. In haar huis ruikt het niet naar mest en oud zweet, maar naar parfum en zeep.

Brokken beschrijft alles minutieus. In kort bestek voert hij je zo een wereld binnen, die veel gecompliceerder in elkaar steekt dan je op het eerste gezicht denkt. Wat wil je ook, in een gemeenschap met 190 onderduikers, onder wie een enkele Jood, 200 evacués, landverraders, communisten, verzetsstrijders en ingekwartierde Duitsers, die door hun Hollandse leeftijdgenoten worden gehaat, omdat ze met hún meiden vrijen.

Bij de vlasfabriek op Het Sluisje loopt Lange rond tienen tegen een op de weg liggende, losgeknipte of afgebroken elektriciteitskabel aan, die 500 volt door hem heen jaagt en zich aan hem vastkleeft. Loos raakt in paniek. Hij is officieel op patrouille en zal straks verantwoordelijk worden gesteld. Hij stuurt Sien en Dien weg en zoekt hulp. Bij het huis van de machinist van het gemaal belt hij aan. Loos vraagt de machinist de stroom af te sluiten, wat deze weigert, omdat hij daar niet toe bevoegd is en niet het juiste gereedschap heeft. Het is een weigering met fatale afloop, want Loos zal de machinist als het brein achter de ‘sabotage’ aanwijzen, wat de SD, die een onderzoek instelt, klakkeloos gelooft.

De ontwikkelingen rollen nu over elkaar heen. Lange overlijdt. De woedende Loos brult dat er tien mannen geëxecuteerd moeten worden, het vastgestelde quotum voor een represaille-actie. In de directe omgeving van de plaats van het ‘misdrijf’ worden er zeven willekeurig opgepakt, van wie er later een wordt vrijgelaten omdat hij minderjarig is en een ander door zijn vader wordt vrijgekocht in ruil voor twee varkens.

Maar omdat de bevelvoerende luitenant Schmitz er zeven voor het vuurpeloton wil hebben wordt er een willekeurige Rhoonaar opgepakt. En als directeur Pijnacker van de vlasfabriek naar Schmitz snelt om voor vrijlating van zijn dorpsgenoten te pleiten, mag ook hij bij het groepje gaan staan. Alles verloopt buitengewoon knullig, maar daardoor niet minder gruwelijk.

Na de executie wordt alles alleen maar pijnlijker, als blijkt dat de zeven helemaal niet doodgeschoten hadden mógen worden, omdat ze niet door een militair tribunaal ter dood zijn veroordeeld. De SD en de Rotterdamse commandant van luitenant Schmitz zijn woedend over de executies. En precies dat maakt alles nog schrijnender.

Brokken probeert de ware toedracht van de gebeurtenissen te achterhalen door met overlevenden en hun familieleden te spreken. Maar steeds als je denkt dat hij beet heeft, klinken er weer nieuwe stemmen die zijn vermoedens tegenspreken. Op die manier laat hij zien hoe poreus de waarheid is.

Met zo’n conclusie bevestigt Brokken dat Nederland, anders dan Duitsland, nog lang niet klaar is met zijn verwerking van de oorlog. De kleurstelling tussen goed en fout is namelijk ook in Nederland veel genuanceerder dan het monotone grijs dat onder historici in de jaren tachtig in de mode kwam. Door afgewogen te luisteren stelt Brokken dat als geen ander vast.