'Wij zijn de gier die sensatie zoekt'

Alfredo Jaar deed een project over fotograaf Kevin Carter. Die maakte een beroemde foto van de hongersnood in Soedan en pleegde daarna zelfmoord. Het werk is nu in Rotterdam te zien.

Nederland, Roterdam, 18 januari 2013 Alfredo Jaar, kunstenaar Foto: Merlijn Doomernik Merlijn Doomernik

Het is donker en stil, en toch is het alsof de woorden op het scherm een ritme vormen, geluid produceren, een klaagzang begint – prevelend, voorzichtig. ‘Kevin… Kevin… Kevin Carter…’

The Sound of Silence, een zwarte kubusvormige minibioscoop met schrikeffect, is in 2006 gemaakt door de Chileense kunstenaar, architect en filmmaker Alfredo Jaar (1956) en gewijd aan de Zuid-Afrikaanse nieuwsfotograaf Kevin Carter. Carter rolde het vak van fotojournalistiek in omdat hij niet afzijdig kon blijven tijdens de hoogtijdagen van de apartheid. Op vroege foto’s op internet kijkt hij je nog lachend aan – spijkerjekkie, camera in de aanslag. Langzaam verdwijnt die lach. In 1993 trekt hij naar Soedan waar burgeroorlog en hongersnood heersen.

The Sound of Silence vertelt ingetogen hoe Kevin Carter in Soedan een foto maakt van een van honger stervend kind van twee, drie jaar oud. Als een bal ligt het opgerold in de savanne, een paar meter verderop staat een gier te wachten. Ook Kevin Carter wacht om het perfecte shot te krijgen. Carter maakt de foto. Hij laat het kindje liggen. Hij verkoopt de foto aan The New York Times en wint er een jaar later de Pulitzer Prize mee.

Het beeld gaat de wereld over, wordt het symbool van de hongersnood in Soedan en onderwerp van heftige controverse. Waarom hielp de fotograaf het kind niet? Wat is ermee gebeurd? Kevin Carter ondertussen bevestigt een oranje tuinslang aan de uitlaat van zijn auto, friemelt de slang door een raampje naar binnen, stapt in en start de motor. Hij is 33 jaar oud. In zijn afscheidsbrief schrijft hij dat hij te veel pijn, angst en dood heeft gezien.

Alfredo Jaar zou niet de extreem goede kunstenaar zijn die hij is en die op Documenta’s, en Biennales wordt gelauwerd, als hij het bij deze anekdote zou laten. Jaar is in Nederland, om in het Nederlands Fotomuseum in Rotterdam de tentoonstelling The Sound of Silence te openen. Rotterdam is de negentiende plek waar de tentoonstelling te zien is.

Ik spreek Jaar een dag nadat hij uit New York naar Nederland is gevlogen. Hij is niet vermoeid, zegt hij. Jetlags hebben geen vat op hem, of anders verdringt hij ze wel. Hij spreekt bedachtzaam.

U heeft ‘The Sound of Silence’ in 2006 gemaakt. Sindsdien is het een hit. Vereenzelvigt u zich weleens met Kevin Carter?

„Ik ben me met Carter gaan bezighouden allereerst omdat hij een fotojournalist was, en ik bewonder fotojournalisten. Ik houd van hun geestkracht, hun moed, hun nieuwsgierigheid, ze verlaten huis en haard en riskeren hun leven voor hun werk. Fotojournalisten zijn degenen die het nog wel uitmaakt wat er op de wereld gebeurt. Ik noem dat een vorm van solidariteit.

„Kevins foto is buitengewoon, niet alleen omdat je een vogel ziet naast een verhongerend kind, maar ook vanwege de achterliggende betekenis. Wij zijn die vogel.”

De westerse wereld bedoelt u?

„Ik heb met The Sound of Silence een visueel essay willen maken. Minimaal maar zo doeltreffend mogelijk zeg ik iets over de sensationele rol van fotojournalistiek, de aantrekkingskracht van horror, de commercialisering van beeldcultuur, de ethiek van de fotograaf en die van de kijker. Waar begint je verantwoordelijkheid en waar eindigt deze?”

Waar ligt uw verantwoordelijkheid?

„Ik wil met mijn werk verandering teweegbrengen, bewust maken. Ik ben ervan overtuigd dat kunst dat kan, als ze maar krachtig is, direct en veeleisend. Veel mensen komen totaal ontredderd, huilend en verstomd uit The Sound of Silence. Dat is goed. Dat betekent dat mensen wel te bewegen zijn, dat kunst er wel toe kan doen.”

U bent kunstenaar. Maar u studeerde architectuur.

„Mijn vader was zakelijk en zei: ‘Architectuur komt het dichtst bij kunst en bovendien kun je er je brood mee verdienen.’ Dat was het beste advies dat ik ooit kreeg. Door niet naar de kunstacademie te gaan, voelde ik me vrij om te doen wat ik wilde in de kunst. Bovendien: de hele wereld is architectuur. Als een architect een werk maakt, moet hij context analyseren, het doel, lichtinval, schaal, beweging, spanningen, gebruik, geschiedenis. Al mijn foto-, film- en tekstwerken zijn gemaakt volgens de methodologie van de architect.”

Hoe bent u in ‘The Rwanda Project’ – een van u meest langdurige projecten – als architect te werk gegaan?

„In een bericht op pagina zoveel van The New York Times las ik in april 1994 dat er 35.000 dode lichamen dreven in een meer bij Kigali. 35.0000 dode mensen! En niemand keek ervan op in New York. Ik wilde niet negeren wat daar gebeurde. Zo ben ik niet opgevoed. Ik leef vanuit het besef dat ik niet alleen ben, dat New York niet het centrum van de wereld is, maar deel uitmaakt van een netwerk dat weer onderdeel is van een systeem dat weer ondergeschikt is aan een ander, nog groter netwerk.

„Dus ik ging naar Rwanda, maar niet op de bonnefooi. Ik legde mezelf een strikt programma op: ik ga de drie grootste steden en de vijf belangrijkste vluchtelingenkampen bezoeken. Ik interview en fotografeer vluchtelingen, en als het moet neem ik een hele dag tijd voor een interview. Ik spreek VN-personeel, ik ga drie dagen op pad met Artsen zonder grenzen, met Oxfam. Alles wat ik tegenkom, ga ik fotografisch vastleggen.

„Dat was mijn plan, maar een plan is nog geen kunst. Ik bleef een jaar in Rwanda en deed alles wat ik me had voorgenomen. Terug in Amerika was ik mentaal, fysiek en psychisch kapot. Ik schaamde me ervoor om een mens te zijn. De genocide had zo makkelijk voorkomen kunnen worden, maar niemand in het Westen was geïnteresseerd.

„Ja, er was een Canadese generaal in Rwanda die aan het hoofd stond van de VN-troepen en in een brief aan de Veiligheidsraad smeekte: ‘Alstublieft, geef mij het mandaat om in te grijpen, dan kan ik in drie dagen een eind aan deze slachtpartij maken. Want zij hebben machetes en wij geweren en tanks.’ De Veiligheidsraad antwoordde: ‘Zorg dat je zo snel mogelijk het land uitkomt.’ Deze man, Roméo Dallaire, kan nog steeds niet slapen.”

U ook niet?

„Nee, maar dat is niet belangrijk. Het staat in geen verhouding tot wat de mensen in Rwanda hebben meegemaakt. Thuis in New York legde ik mezelf opnieuw een streng schema op. Ik moest 25 werken over Rwanda te maken. Elk werk, zei ik, zal een oefening zijn waarin ik datgene duidelijk wil maken waar niemand om maalt. Ik zal van elke oefening leren en ik zal verder gaan naar de volgende oefening en de daarop volgende.

„Alleen zo kon ik aan het werk blijven. Ik werkte zes jaar aan mijn Rwanda-project – foto’s, films, De ogen van Gutete Emerita, de jonge vrouw die haar man en haar twee zonen onder de kapmessen van de Hutu’s vermoord zag worden. Ik wilde stoppen. Ik voelde dat ik niet Mr. Sad Artist, of Mr. Genocide wilde worden, maar ik kon niet ontsnappen. Rwanda was bezig me te vermoorden.”

U bent ontsnapt. ‘The Sound of Silence’ gaat niet over Rwanda.

„In 2001 werd ik door Okwui Enwezor uitgenodigd voor Documenta 11 in Kassel. Ik stelde een Rwanda-project voor. Okwui – hij is een vriend van me – vond het mooi, maar hij zei: ‘Alfredo, je moet iets anders maken, iets wat niets met de genocide in Rwanda te maken heeft.’ Ik was geshockeerd! Het was de eerste keer dat een project van mij werd afgewezen.

„Pas veel later besefte ik hoe groot de dienst is die Okwui me heeft bewezen. Ik begon aan een nieuw werk en zo liet Rwanda mij los.”

Toch gaat u een monument maken voor de slachtoffers van de genocide in Rwanda. Heeft u daarover geaarzeld?

„Ja, maar ik koester wel weer hoop. Ik ben een aanhanger van Gramsci. Hij stelt dat je het pessimisme van het intellect in evenwicht moet brengen met het optimisme van de wil. Precies in het midden woont de hoop. Mijn hoop. Dat moet wel. Anders zou ik toch stoppen?”

The Sound of Silence. T/m 24 febr. Nederlands Fotomuseum, Wilhelminakade 332, Rotterdam.