Waar is het echte geld?

Zo moeilijk is het nu ook weer niet, zegt Anil – niet zijn echte naam – als we het hebben over de cultuur in zakenbanken.

Hij is een man van begin veertig, van Indiase afkomst en geboren in getogen in Oost-Afrika. Hij vertelt hoe in zijn jeugd Britse banken als Barclay’s en Standard Chartered behoorden tot de meest prestigieuze en gerespecteerde instituties. In menig Afrikaans land waren ze de grootste belastingbetaler en werkgever. Kinderen van werknemers kregen hun opleiding gefinancierd. Hij herinnert zich het bankiersvak als „respectabel en solide”.

Hij was trots om voor zo’n bank te gaan werken, decennia terug, en zat in heel Afrika; asset finance (bedrijven assisteren bij het kopen van bijvoorbeeld machinerie), trade finance (handelskredieten), balance management (hoe je een bedrijf financieel gezond houdt) en project finance (grote projecten). „Ik kan naar Lagos gaan en zeggen: dat winkelcentrum heb ik helpen bouwen. En die brug. Zelfde in Zuid-Afrika en tal van andere landen.”

Dat was toch wel zo’n verschil toen hij in Londen kwam werken op een beursvloer. „Handelaren komen binnen, zetten de computer aan en op het scherm, right there, is geld.” Een nog grotere schok was zijn ontdekking dat je een leven lang beurshandelaar kunt zijn zonder ooit echt te hebben hoeven bankieren.

Hij heeft een hoofd voor wiskunde, zoals hij dat in licht archaïsch Engels uitdrukt, en had in Londen dus complexe financiële instrumenten kunnen gaan verhandelen. Het leek hem niks. In plaats daarvan zat hij bij ‘risk’, waar hij de risico’s die anderen namen in de gaten hield.

Na een paar jaar op de handelsvloer vroeg een grote Europese bank hem of hij wilde helpen een Afrikadivisie op te zetten. Enthousiast hapte hij toe, maar na enige tijd werd de boel alweer opgedoekt; de bank had besloten zich helemaal op de Amerikaanse markt voor subprime-hypotheken te richten. „Het bewijst hoeveel macht de top van een bank heeft. Zij bepalen waar de rest zich op richt.”

Die top van banken moet weer gaan bestaan uit echte bankiers, zegt hij, en bankieren moet weer simpel worden. Hoe meer complexiteit je toestaat, hoe meer regels nodig zijn, en dan gaan allerlei lieden al hun tijd steken in het omzeilen van die regels.

Maar het voornaamste is de mentaliteit en cultuur. „Voortaan zou iedereen eerst een aantal jaren echt moeten bankieren, voor ze zakenbankier mogen worden. Dus iedereen begint op een vestiging in retail, waar je dat oude dametje haar spaarcentjes ziet uittellen, en die ondernemer ziet worstelen met zijn bedrijf. Je doet ook echte commercial lending, dus krediet verstrekken aan bedrijven. Dan ga je twee jaar naar restructuring, waar je leert saneren – en dus leert wat een ellende er van komt als de bank aan een verkeerde partij geld leent. Misschien dan nog een paar jaar project finance (grote projecten) en pas als je hier doorheen bent, mag je de handelsvloer op, of de fusies & overnames in.”

Gaat dit ervan komen? Hij is niet optimistisch, niet voor niets is hij de industrie uitgestapt. Maar het kan.

„Securisatie, valuta, renteswaps”, zegt hij. „Mits juist ingezet kunnen ze onvoorstelbaar veel goed doen in Afrika. Het continent schreeuwt om wat wij noemen ‘dertig jaar geld’; lange termijn investeringen waarmee je wegen bouwt, spoorlijnen, bruggen, luchthavens, irrigatie projecten. De City zou hierin het voortouw kunnen nemen, want de expertise, contacten en het kapitaal zijn er.” Hij neemt een slok Starbuckskoffie en zegt: „Stel je voor. Dat zakenbanken weer gewoon gingen bankieren.”

    • Joris Luyendijk