Tijdschrift dat pulp scheidt van potentie

Er is nog steeds behoefte aan literaire tijdschriften, betoogt Christiaan Weijts. Zij zijn het atelier en de leerschool van beginnende schrijvers.

Voor schrijvers en dichters bestaan geen opleidingen. Er zijn geen stageplekken, geen vooropleidingen, geen ateliers, werkplaatsen, honours classes of studieloopbaanbegeleiders. Ondanks sporadische initiatieven heeft het schrijven geen infrastructuur zoals die voor andere artistieke disciplines zo vanzelfsprekend is. Muziek, theater, beeldende kunst, dans: daarvoor ga je in de leer, jarenlang, in trajecten die geënt zijn op het klassieke leerling-gezel-meesterprincipe. In de literatuur zijn er alleen andermans boeken om de kunst van af te kijken.

Op m’n tweeëntwintigste bestookte ik alle literaire tijdschriften van Nederland met mijn verhalen. Ik studeerde Nederlands en had daar geleerd over de polemische opvattingen van Forum of Merlyn, of de stammenstrijd tussen De Revisor en Tirade. Dáár gebeurde het. Dáár moest je blijkbaar tussen zien te komen. Het tijdschrift is de literaire remplaçant voor stageplekken en ateliers. De redacteuren zijn vrijwel altijd schrijvers, dichters en essayisten. Wie als beginneling werk inzendt, is een leerling die, in gunstige gevallen, commentaar krijgt van een meester.

Op 17 juni 1998 lag er een briefje van Adri van der Heijden in mijn brievenbus. Het handschrift op de envelop herkende ik onmiddellijk, met bonkend hart. Ik had mijn oog op De Revisor laten vallen, waarin hij fragmenten uit De tandeloze tijd in vroege versies uitprobeerde. Het literaire tijdschrift is een podium met opgangen van twee kanten. De gevestigde schrijver komt er zijn pen scherpen, wat schetsen uitproberen, polemieken starten, poëticale opvattingen uitdiepen. De beginneling komt er het vak leren, bekendheid in ‘het wereldje’ vergaren, of zichzelf voor het eerst in druk zien, zoals ik vurig hoopte. Dat Van der Heijden feitelijk geen onderdeel van de redactie uitmaakte, weerhield me er niet van mijn verhalen aan hem te adresseren.

„Om redenen die ik hier niet zal noemen, ben ik al lang geleden opgehouden met het geven van commentaar op mij toegestuurde manuscripten”, luidde de eerste, wat raadselachtige zin. Van der Heijden zat ook niet in de redactie van De Revisor en had mijn verhaal naar redacteur Anthony Mertens doorgestuurd, „zonder verder commentaar”. Een maand later stuurde Mertens alsnog de standaard afwijsbrief, die ik wegborg in het mapje met eensluidende epistels.

Het literaire tijdschrift stelt een norm. Het is niet populair om te zeggen, maar in een wildgroei van online geschrijf, getwitter en doe-het-zelfgepubliceer zijn er autoriteiten nodig om potentie van pulp te scheiden. Die taak van het tijdschrift is met de digitale ontwikkelingen alleen maar toegenomen. Nu elke gek een blog kan beginnen, is er des te meer behoefte aan kwaliteitseisen, filters, maatstaven. En mijn werk voldeed daar duidelijk nog niet aan. Terug naar de schrijftafel. Leren schrijven is vlieguren maken, en de stimulerende werking van standaard afwijsbriefjes laat zich niet overschatten.

Op 8 november 1998 volgde er een handgeschreven brief van Tirade-redacteur Toine Moerbeek. Opnieuw een afwijzing, zij het ditmaal met een randje hoop. Na de kritiekpunten schreef Moerbeek: „Wel geeft u blijk van het doen van interessante observaties die u zorgvuldig formuleert. Gezien uw nog zeer jeugdige leeftijd (22 jaar schrijft u) is dat bijzonder. Hopelijk laat u zich niet ontmoedigen door ons tot tweemaal toe ‘nee’ zeggen, want dit ‘nee’ is wellicht niet definitief”.

Toch, ik had een voet tussen de deur. Zonder zulke tijdschriften was je kansloos. Rechtstreeks je werk naar een uitgever sturen stond gelijk aan het in de papierversnipperaar stouwen, zoveel had ik intussen wel begrepen. Het tijdschrift was laagdrempeliger, zonder aan status in te boeten. Hier kon je zij aan zij staan met Maarten ’t Hart of Arnon Grunberg. Hier werden reputaties voorbereid en bestendigd. De uitgevers lazen immers mee, en gaven die bladen vaak zelf uit.

Literaire tijdschriften hoeven misschien niet meer de achtertuintjes van de grote uitgevershuizen te zijn, zoals ze misschien ook niet meer zes of acht keer per jaar als een gedrukt boekwerk hoeven te verschijnen. En natuurlijk, naast het klassieke debuteren zijn allerlei nieuwe vormen ontstaan – er zijn literaire agenten, verhalenwedstrijden en er is een wijdvertakt baantjes- en borrelcircuit. Maar de taak van het tijdschrift, een door schrijvers bestierde intermediair tussen uitgever en aspirant-schrijver, blijft een kolossale.

Vooral door het leerling-gezel-meestermodel dat op die manier toch ook voor de letteren vorm krijgt. Debutant en arrivé werken hier samen in hetzelfde atelier. Want laten we belangen voor de gevestigde ‘namen’ ook niet vergeten. In een land dat het moet stellen zonder de short story-cultuur van The New Yorker, en zonder de diepgravende boekbesprekingen The Times Literary Supplement, mag je blij zijn dat het literaire tijdschrift nog onderdak biedt aan korte verhalen en essays – genres die ‘het moeilijk hebben’, maar van vitaal belang zijn.

In een goed atelier is de verf nog nat en het ijzer heet. In het schrijfatelier dat het literaire tijdschrift is, is alle inkt nog nat. Poëticale opvattingen, polemieken, essays: we zien het ruwe, aftastende denken.

Eind 2006 verscheen in De Revisor een verhaal, een ‘epiloog’ bij mijn debuutroman. Omdat het het decembernummer was, werd ik uitgenodigd voor de kerstborrel bij Schiller. De eerste die mij begroet, is Adri van der Heijden. „Ik begrijp dat jij een heel belangrijke prijs hebt gewonnen!” roept hij uit. Hij doelt op de Anton Wachterprijs, die hij zelf in 1979 won.

En als het nummer even later officieel gepresenteerd is: „Ik zie dat je er ook in staat. Eens even kijken…” Bladeren. Inademen. Werkelijk? Gaat hij werkelijk mijn verhaal lezen waar ik naast zit? Hij, die in juni 1998 nog was opgehouden met het geven van commentaar op hem toegestuurde manuscripten?

Ik ben sindsdien bij bijeenkomsten van meerdere literaire tijdschriften geweest, en hoewel er weinig over lijkt van die oude verzuiling en de kongsivorming waar ik aan de universiteit over hoorde, valt me wel op hoe rond elk blad een eigen cultuur heerst, al is er veel grensverkeer en overlap.

Literaire tijdschriften zijn knooppunten van schrijvers, dichters, redacteuren, geldschieters, uitgevers, vertalers, recensenten, filosofen en absolute malloten. Ze vormen het bindweefsel tussen alle vitale organen van de literatuur. Uiteraard verandert die wereld, en veranderen die bladen mee. Literaire tijdschriften verdwijnen, fuseren, komen in nieuwe verschijningsvormen ineens weer uit studentenkringen opborrelen, financieren zich met crowdfunding, zoeken samenwerking met week- en dagbladen, gaan digitaal, gaan op tablet, toveren zich om tot app. In een veranderde wereld krijgt het atelier andere vormen, maar het blijft een atelier.

Tien tergende minuten leest Van der Heijden mijn epiloog, uitdrukkingsloos. „Ja, die toon is goed”, mompelt hij vervolgens. Hij slaat het blad dicht, priemt zijn blik heerszuchtig in de mijne en vraagt: „En wat is jóúw taak?”

Wat ik stamel, weet ik niet meer. Wel dat ik besef: dit is het atelier van de roman. De inkt is nog nat.

Christiaan Weijts (1976) is schrijver. Zijn laatste roman ‘Euforie’ (2012) is genomineerd voor de BNG Nieuwe Literatuurprijs.