Tien vingers

Serie over acht dames die achter een cijferslot doen aan kleinschalig wonen. In de hoofdrol mevrouw Niterink (86), moeder van Tosca Niterink.

Mevrouw Glims (rechts) steekt haar hand in de lucht en begint haar vingers te tellen.

We glijden de parkeerplaats op en maken diepe bandensporen in de maagdelijke sneeuw. Mijn moeder zit binnen op de bank, in haar namaakbontjas, tas op schoot, lekker warm samengeperst tussen mevrouw Map en mevrouw Glims. „Ze had het koud”, zegt de zuster. „Ze heeft hem zelf aangedaan, dus ik laat haar maar even.”

„Heb je het koud, mam?”

„Nee hoor, lekker juist.”

„Kom maar mam, uit die jas! Doe deze warme poncho maar even aan.” Ik trek hem over haar hoofd. „Lekker?”

„Ja hoor!”

„Niet koud?”

„Waarom zou ik het koud hebben?”

„Wil je weer lekker knus tussen die dames in zitten?”

„Doe niet zo gek! Wat moet ik bij die rare wijven!”

„Geen idee”, zeg ik.

De bezoekjes aan mijn moeder in Klein Keukenhof hebben een ding gemeenschappelijk: overtemperatuur. Oude mensen hebben het snel koud. Dus de cv staat hier zomer en winter te loeien. Een keer koffie maken voor de hele tent of mijn moeder naar de wc helpen zorgt ervoor dat het zweet over mijn rug gutst en in mijn wimpers druipt en dat ik mijzelf aansluitend naar adem happend (met een sigaretje) terugvind in de binnentuin. Tenminste, als mevrouw Pijnenburg, de poortwachter, het goed vindt. Behalve de deur naar de gang barricadeert ze met haar rollator vol roddelbladen ook de deur naar de binnentuin.

„Nee”, roept ze vandaag, „die deur mag niet open!”

Ik snel dus naar de aangrenzende kleinschalige woongroep huize Hyacint. Daar hebben ze tenslotte ook een deur naar de binnentuin. Er zitten wat mensen in rolstoelen wezenloos te knikkebollen voor de tv. Ik veronderstel dat de bewoners van huize Hyacint wat intensievere zorg nodig hebben dan in aanpalende kleinschalige woongemeenschap huize Tulp, waar mijn moeder verblijft.

Ach, daar ligt middenin de kamer een vrouw op een anti-doorligluchtbed. Aan haar ingevallen ogen zie ik dat ze aan het sterven is. Dan herken ik haar. Een half jaar geleden zag ik haar in de multifunctiezaal van Klein Keukenhof. Ze werd rondgeleid door een zuster. Ze stonden bij de droogkappen. „En dan wordt dit uw kapper”, sprak de zuster opgeruimd.

„O fijn”, antwoordde de vrouw zachtjes. De angst in haar ogen zal ik nooit vergeten. Later zag ik haar regelmatig paniekerig en verward ronddolen.

Voor ik het weet, sta ik aan haar bed en houdt haar hand vast. „Sorry”, zeg ik tegen de zuster, „ik ken deze vrouw, mag ik haar even aanraken?”

„Tuurlijk”, glimlacht ze.

De stervende vrouw knijpt in mijn hand en kijkt me euforisch aan. Ik fluister net Bon voyage in haar oor, als de zuster vraagt: „Bent u haar dochter?”

Iets later nemen we afscheid van mijn moeder, de dames zijn net aan tafel gegaan. „Kijk Tos”, zegt ze en streelt Glims over haar wang, „ dit is toch zo’n lieverd!”

Glims kijkt mijn moeder blij verrast aan en pakt haar hand. De dames kijken elkaar liefdevol aan en knopen hun handen ineen.

Daarna zie ik ze schrikken, zich afvragen ‘Wat doe ik nu’, ‘Wie is dat mens’ en zich uit de vingerverstrengeling loswurmen.

Mevrouw Glims lost de situatie gelukkig op, ze steekt haar hand in de lucht begint haar vingers te tellen en roept: „We hebben allemaal tien vingers!”