Manet, meester in het mensen kijken

De tentoonstelling Manet: Portraying Life in Londen toont meer dan vijftig portretten van Édouard Manet. De mooiste en meest experimentele maakte hij van zijn Nederlandse echtgenote Suzanne Leenhoff.

‘Musea, ze hebben me altijd wanhopig gemaakt. Ik word er zo depressief van als ik er naar binnen ga en zie hoe miserabel de schilderijen eruitzien. Het wemelt er van de bezoekers en suppoosten. De portretten komen gewoonweg niet tot leven.”

Aan het woord is Édouard Manet (1832-1883), schilder van geruchtmakende schilderijen als Olympia (1863) en Le Déjeuner sur l’herbe (1863). Een kunstenaar die in zijn tijd grote moeite had om zijn werk getoond te krijgen in de gevestigde Salons, omdat ze te gewaagd waren, te alledaags, te experimenteel. „En toch”, zo vervolgt Manet zijn tirade, „sommige van hen, Velázquez, Goya, Hals… je moet toegeven dat zij wisten wat ze deden, die gasten. Een beetje te gekunsteld, maar ze raakten nooit de realiteit uit het oog.”

Het citaat, in 1897 postuum opgetekend door Manets jeugdvriend Antonin Proust, is veelzeggend. Manet maakt duidelijk dat hij wilde afrekenen met het verleden, met de traditionele historieschilderkunst en de mythische voorstellingen die in de Franse musea en Salons de boventoon vierden. Tegelijkertijd biecht hij zijn liefde op voor drie grote oude meesters: de zeventiende-eeuwse schilders Diego Velázquez en Frans Hals en de achttiende-eeuwse Spaanse schilder Francisco Goya. Zij slaagden er in Manets ogen wél in om hun portretten te laten sprankelen, om ze er als mensen van vlees en bloed te laten uitzien. Hij bewonderde hun naturalistische manier van schilderen. Hij adopteerde hun poses, hun kleurgebruik, hun losse, spontane toets.

Maar verder wilde Manet vooral vooruit kijken, het nieuwe omarmen, de moderne tijd vieren. Hij portretteerde geen koningshuizen of notabelen, zoals Velázquez had gedaan, maar vroeg gewoon zijn eigen vrienden uit de Parijse high society voor hem te poseren; de acteurs, schilders en schrijvers die regelmatig langskwamen op de feestjes die Manet wekelijks bij hem thuis organiseerden. Hij schilderde de bars en terrasjes waar ze zich ophielden, de laatste modes waarin ze zich kleedden, de boeken en tijdschriften die ze lazen. „De ware schilder”, schreef Manets vriend Charles Baudelaire in 1845, „is de schilder die het leven van alledag zijn heldhaftige kant weet af te dwingen, die ons met zijn verf of zijn tekenstift leert bevatten hoe groots en poëtisch wij zijn met onze stropdassen en laklaarzen.” En dat, het vastleggen van wat Baudelaire ‘de moderniteit’ noemde, was precies wat Manet vol overgave deed.

Kijk naar een schilderij als Musique aux Tuileries (1862), nu te zien op de grote Manet-tentoonstelling in de Royal Academy in Londen, en je krijgt een idee hoe mondain, druk en rumoerig Parijs in de tweede helft van de negentiende eeuw geweest moet zijn. Relaxend onder de bomen van de Tuilerieën, zittend op voor die tijd hippe gietijzeren stoeltjes, luistert de beau monde opeengepakt naar de openluchtconcerten die hier twee keer per week gehouden werden. Manet zelf staat geheel links, met naast hem zijn kunstenaarsvrienden Henri Fantin-Latour, Compte Albert de Balleroy, Jacques Offenbach en Charles Baudelaire. Dandy’s zijn het, allemaal, met hun hoge hoeden en hun strakke pakken. Mannen met tijd en geld genoeg om zich flanerend door de stad te kunnen begeven. Op de voorgrond zijn kleine kinderen in de weer met zandschepjes en hoepels en wordt er door dames in lange rokken gekeuveld. Dit is hoe Parijs eruitzag in 1862 – een soort Parkpop avant la lettre.

Musique aux Tuileries hangt in Londen heel prominent in een eigen zaal, vergezeld van zaalteksten die de tientallen personages op het doek van een naam voorzien. Behalve zijn artistieke vrienden schilderde Manet tussen de bomen van het stadspark ook zijn moeder, zijn jonge broertje, zijn echtgenote Suzanne en haar zoontje Léon. Meer nog dan een voorstelling uit het dagelijks leven, een zogenaamd genrestuk, is dit schilderij dus een portret van familie en vrienden. Of, zoals de makers van de tentoonstelling het noemen, „een cultureel zelfportret”. Manet had lak aan de traditionele scheiding tussen de aloude disciplines van genreschilderkunst en portretkunst, en maakte er zijn eigen, hybride tussenvorm van. Dat maakte hem, in het Parijs van 1862, een ware revolutionair.

Toledo, Ohio

De tentoonstelling in de Royal Academy heet Manet: Portraying Life en richt zich op die cross-over van portretten en stadsleven. Een expositie met dezelfde titel was de afgelopen maanden al in het Toledo Museum of Art in Ohio te zien, maar de Londense versie is met meer dan vijftig schilderijen veel uitgebreider. Een aantal fabelachtige bruiklenen, zoals Manets zelfportret (Ishibashi Foundation, Tokio), een portret van Suzanne (Nationaal Museum, Oslo), het schilderij Déjeuner dans l’atelier (Neue Pinakothek, München) en een late versie van Déjeuner sur l’herbe (Courtauld Gallery, Londen) – mochten niet naar Amerika maar wel naar Londen reizen.

Manet zou verguld zijn geweest als hij op zijn eigen tentoonstelling rond had kunnen lopen. Want deze museale presentatie heeft niets stoffigs of depressiefs. De werken zijn thematisch gegroepeerd in zalen met donkergrijze wanden, waardoor de kleuren nog meer van de doeken lijken te spatten. Honderdvijftig jaar na dato zitten Manets portretten nog steeds vol leven. Zangeres Emilie Ambre, gekleed voor haar rol als Carmen, kijkt ons met twinkelende ogen aan. Ze lijkt haast licht te geven, zo stralend ziet ze eruit. En kunstenares Berthe Morisot, Manets schoonzus, weet de toeschouwers na anderhalve eeuw nog altijd te verleiden met haar zwoele ogen. Gekleed in een zwarte jurk trekt ze je blik van verre naar zich toe, als een zwart gat waarin alles verdwijnt. De kunstenaar Titiaan zei ooit dat de ware schilder zich bewijst in de manier waarop hij met zwart werkt. Als dat zo is, dan is Manet met zijn magistrale gebruik van het zwart de beste schilder van allemaal.

Een aparte zaal is gewijd aan Manets favoriete model, de roodharige Victorine Meurent, de naakte ster op Olympia en Le Déjeuner sur l’herbe. In Londen is het vooral een klein, vierkant portretje uit 1862 dat een verpletterende indruk maakt. Vanuit een hoekje van de zaal kijkt Victorine met haar priemende blik dwars door je heen, haar bleke wimpers duidelijk zichtbaar. Ze is mooi, maar lijkt ook benaderbaar – een geschilderde versie van the girl next door. Met haar oplichtende oorbelletje en haar blauwe haarband herinnert ze aan een ander meesterwerk, Vermeers Meisje met de parel. Later zou Victorine door alcoholisme aan de bedelstaf geraken, maar hier is ze nog het toonbeeld van pure onschuld.

De mooiste, meest intieme portretten maakte Manet van zijn Nederlandse echtgenote Suzanne Leenhoff, een vrouw die zich met haar mollige lichaam duidelijk onderscheidt van alle petite Françaises met wie de schilder zich verder omringde. De portretten die Manet van haar maakte, waren nooit bedoeld om in het openbaar te tonen en zijn daarom veel vrijer en experimenteler dan bijvoorbeeld de schilderijen van hoge heren die Manet ook maakte. Voor een portret van Suzanne met kat Zizi uit 1880 liet Manet zijn kwast zinderend over het doek schieten, zoals de impressionisten dat na hem ook deden. En op het schilderij Mme Manet sous la serre (1879), dat in de slaapkamer van het echtpaar hing, wist Manet met snelle, schetsmatige verfstreken toch een schitterend gelijkend portret neer te zetten. Niets aan dit schilderij is geïdealiseerd. Suzanne zit een beetje onderuitgezakt op het tuinbankje, met blossen op haar wangen en een fikse onderkin. Dit is een zeldzaam eerlijk schilderij, waaruit tegelijkertijd veel liefde spreekt. Zo kun je alleen schilderen als je je compleet bij elkaar op je gemak voelt.

Nulpunt

Wat opvalt, nu zoveel van Manets portretten bijeen zijn gebracht, is de verscheidenheid aan stijlen die hij hanteerde. Je kunt niet zeggen dat hij heel realistisch begon en impressionistisch eindigde. Het is alsof hij bij ieder schilderij weer op een nulpunt begon, alsof hij voor ieder werk een nieuwe oplossing wilde aandragen. „Het is altijd mijn ambitie geweest niet hetzelfde te blijven”, zei Manet daar zelf over. „Om de volgende dag niet te herhalen wat ik de dag ervoor al gedaan had, om voortdurend door iets nieuws geïnspireerd te raken.” Die onvoorspelbaarheid maakte dat de critici hem vaak afbrandden. Ze vonden zijn werk inconsistent, „stilistisch instabiel” en moeilijk te plaatsen. Maar zijn jongere collega’s, de impressionisten, herkenden die vernieuwingsdrang wel en zagen Manet als hun held. Zo verdiende hij zijn titel als „vader van de moderne kunst”.

Maar er is, als je in Londen door de zalen slentert, ook één constante: de starende blikken. Slechts een paar van Manets modellen kijken de toeschouwer rechtstreeks aan. De meeste van de dames en heren zijn diep in gedachten verzonken. In zichzelf gekeerd zuigen ze aan een pijp of sigaret, turen ze in een boek of bladmuziek, of staren ze uit het raam. Die verstilde blikken zorgen ervoor dat Manets personages iets soevereins hebben, maar ook iets inerts. Zelfs als er meerdere personages op een doek staan afgebeeld, zoals bij Le Déjeuner dans l’atelier of Le chemin de fer, is er onderling geen interactie.

Een uitzondering is het werk Chez le Père Lathuille (1879), een vlot en zonnig schilderij dat Manet schilderde op het terras van een Parijs’ restaurant. Aan de tafel naast hem staren een jongeman en een dame elkaar diep in de ogen. Hij kan nog geen twintig zijn, maar ziet er nogal zelfverzekerd uit met zijn vlassige snorretje. Zij is duidelijk vele jaren ouder en lijkt wel geamuseerd te zijn door zijn geflirt. Hij heeft zijn arm al losjes over haar stoelleuning gedrapeerd, zij buigt lichtjes naar hem toe. Je kunt haar gegiechel bijna horen. De ober kijkt nog net niet hoofdschuddend toe.

In dit ene schilderij weet Manet een heel verhaal te vertellen. Het is alsof de schilder de tijd heeft stilgezet. Eén tel later en er wordt misschien wel een kus uitgedeeld. Chez le Père Lathuille is een schilderij als een filmstill, gemaakt toen het medium film nog net niet uitgevonden was. Manet componeerde zijn voorstellingen als een regisseur op een set, met zijn eigen vrienden en familie in de hoofdrollen.

Wat deze fenomenale tentoonstelling ook duidelijk maakt is dat Manet een meester was in het mensen kijken. Hij zag het geflirt van de jeugd, het blikkenspel van twee geliefden. Zijn schilderijen vormen een tijdsbeeld, maar ze laten ook iets universelers zien. Want als je die negentiende-eeuwse mode wegdenkt, en de pijpjes en hoeden achterwege laat, dan zie je dat die blikken van en tussen mensen nog altijd hetzelfde zijn. Dat maakt zijn werk zo toegankelijk, zo herkenbaar. Diep-menselijk, dat is wat zijn schilderijen zijn.

Manet: Portraying Life. 26 jan t/m 14 april in de Royal Academy of Arts, Piccadilly, Londen. Inl: royalacademy.org.uk