Ingrijpen? Dat geeft maar gezeur

De Rotterdamse brandweer blééf waarschuwen dat kinderen in moskee-internaten onveilig sliepen. Maar niemand deed iets.

ROTTERDAM - Een fotoserie over een moslim Internaat in Rotterdam waar 30 jonge moslims wonen en leren boven een moskee. COPYRIGHT ROBIN UTRECHT FOTOGRAFIE

Rotterdam. In 2003 stuurt de brandweer drie alarmerende brieven naar het bestuur van de Fatih-moskee in Rotterdam. Er wonen vijftig meisjes in het gebouw. De brieven gaan over gebreken aan onder meer het plafond, vluchtwegen, noodverlichting, ontruimingsplan en brandwerende deuren. De brandweer schrijft in september dat de situatie „een bedreiging vormt voor de veiligheid van de aanwezige personen”. Dan reageert het moskeebestuur en vraagt om uitstel om het zachtboard plafond te vervangen. Later nog eens, wegens ramadan.

De gebreken in de Fatih-moskee van 2003 zijn in februari 2004 verholpen. Maar in oktober 2004 voldoet hij opnieuw niet aan de brandeisen, waardoor de veiligheid van medewerkers en bezoekers volgens een bouwinspecteur „onvoldoende gegarandeerd” is. Ook in de jaren erna blijven instanties waarschuwen.

In de andere Rotterdamse moskeeën waar kinderen wonen, was het de afgelopen jaren niet anders. De brandweer, deelgemeente Feijenoord en controlerende instanties waarschuwden elkaar en de besturen steeds voor onveilige situaties in moskeeën waar kinderen wonen. Daaraan werd door de moskeeën telkens laat of geen gehoor gegeven, blijkt uit documenten die NRC Handelsblad en RTV Rijnmond kregen na een beroep op de Wet Openbaarheid Bestuur.

En terwijl ze niet wisten dat ze werden opgenomen, praatten ambtenaren over onveilige internaten. Dat gebeurde op 21 september 2011, in een kantoortoren bij het Marconiplein in Rotterdam. Zes ambtenaren bespraken het probleem van meisjes die slapen op de zolder van de Fatih-moskee. Het gesprek staat op band. Dit is – in het kort – wat de ambtenaren zeiden.

De beleidsmedewerker: „Het is een politiek supergevoelig ding. Jammer dat het zo ingewikkeld gemaakt moet worden. Het kan eenvoudig, maar het ligt zo gevoelig. Dus we moeten er maar het beste van maken. Het gaat absoluut niet om onze standpunten maar om het standpunt van het dagelijks bestuur (van de deelgemeente, red.). Het moskeebestuur wil dus nieuwbouw en het dagelijks bestuur wil daar in principe aan meewerken. Voor de rest heb je daar natuurlijk dat meisjesinternaat wat totaal niet kan daar en wat ook niet veilig is.”

De vergunningsmedewerker:

„We willen het huidige pand gaan legaliseren. Dat betekent een omgevingsvergunning voor nu en één voor de nieuwbouw. Ik denk dat dat een lastig verhaal wordt. Gaan we op die eisen zitten, dan voorzie ik dat daar hoge kosten uit komen. Dan gaat men moeilijk doen, dan gaat men zeuren.”

Beleidsmedewerker: „Ja. Dat geeft oeverloos veel problemen.”

Vergunningsmedewerker: „Dat is mijn inschatting ook.”

De opdrachtmanager: „Als dat internaat ergens anders naartoe gaat, tijdelijk misschien, dan heb je misschien al een veel minder groot probleem. Dan kun je met veel minder investeringen alles veilig maken.”

Vergunningsmedewerker: „Dat er in internaten wordt geslapen, betekent dat je het hoogste veiligheidsniveau daar hebt.”

Beleidsmedewerker: „Wij zijn bang dat als die meisjes ergens anders ondergebracht worden, je weet niet waar, en onder welke omstandigheden, daar is ook zorg over. Weet je... ik bedoel... dat speelt ook mee.”

Opdrachtmanager: „Waarom slapen er eigenlijk kinderen?”

Beleidsmedewerker: „Volgens mij zijn het meisjes van de leeftijd 10 tot 20 die daar zitten en onderwijs krijgen maar eigenlijk een beetje buiten de samenleving worden gehouden. Ik praat nu even voor mezelf.”

Opdrachtmanager: „Ik vind dat heel wat, buiten de samenleving gehouden?!”

Beleidsmedewerker: „Nou, eh...”

Gelach.

De bouwinspecteur: „Ik wil even wel wat zeggen. Ik heb met de GGD gesproken en die hebben mij ook al een sein gegeven over de Polderstraat 75 en gevraagd of wij handhavend konden optreden. Toen heeft de GGD inderdaad gezegd dat deze kinderen buiten de samenleving worden gehouden. En er was mogelijk sprake van lijfstraffen. Wat moeten we daar nou van vinden?”

De gebiedsmanager: „Voor zover hier aantoonbare feiten zijn, kunnen die ter overweging mee gegeven worden. Als het vermoedens zijn, kan ik er niks mee.”

Bouwinspecteur: „Wat wil het bestuur? Wil het gedogen, zeggen wij prima: dan sluiten we het dossier en mag het bestuur er een opstellen.”

Gebiedsmanager: „Hebben we nou niet nog één variant niet benoemd? En dat is gewoon: niks doen.”

Bouwinspecteur: „Dat is geen optie. Dat doen we al jaren.”

Gebiedsmanager: „Het is dus blijkbaar wel een optie, want het gebeurt al jaren.”

Bouwinspecteur: „We kunnen van geluk spreken dat er niets gebeurd is.”

Beleidsmedewerker: „Wettelijk mag het niet, eigenlijk. Als je als overheid weet dat er sprake is van een illegale situatie die bovendien gevaarlijk is, moet je eigenlijk wel gewoon handhaven.”

Gebiedsmanager: „Het risico bestaat dat in dit geval weer hetzelfde gebeurt als een aantal jaar geleden: dat er geen besluit wordt genomen.”

Opdrachtmanager: „Het zal hoe dan ook veilig gemaakt moeten worden.”

Beleidsmedewerker: „De politiek heeft toezeggingen gedaan aan de moskee.”

Bouwinspecteur: „Waar zijn die concrete toezeggingen dan voor?”

Beleidsmedewerker: „Nou ja, concrete toezeggingen. Er zijn gewoon heel veel contacten. Bestuurlijk, en ook vanuit de raadsleden, noem maar op, met zo’n moskeebestuur. Je kan het vergelijken met een bewonersorganisatie. Zo’n moskee, zeker op Oud-Zuid, heeft gewoon een vinger in de melk. En daar moeten wij als deelgemeenteambtenaren ook mee... dealen.”

De namen van de ambtenaren zijn bij de krant bekend, maar hier om privacyredenen weggelaten.

    • Andreas Kouwenhoven
    • Esther Rosenberg