Ingrijpen bij SNS, hoe dan?

SNS Reaal kan niet zelfstandig voortbestaan. Hulp moet uit Den Haag komen. Wat kan en mag minister Jeroen Dijsselbloem doen?

Politiek redacteur

Den Haag. De problemen voor SNS stapelen zich op. Het doet denken aan 2008. Toen had minister Wouter Bos van Financiën nauwelijks wapens om de acute kredietcrisis te bestrijden. Hij kocht het Nederlandse deel van Fortis op (ABN Amro), maar voor deze feitelijke onteigening ontbrak de wettelijke basis. En voor het geval ING verder in gevaar zou komen, had de bewindsman een noodwetje in zijn bureaula liggen dat in het diepste geheim door de Raad van State van commentaar was voorzien. Alleen met die wet zou nationalisatie zonder groen licht van de aandeelhouders mogelijk worden.

Dat nooit meer, was de gedachte na de bankencrisis. Toezichthouder De Nederlandsche Bank (DNB) en de minister van Financiën zouden veel meer middelen moeten krijgen om in te grijpen. Nu dient zich een nieuwe crisis aan. SNS Reaal, de vierde bank en verzekeraar van Nederland en bestempeld als een cruciale bank binnen het financiële systeem, dreigt door zijn vastgoedpoot te worden omgetrokken. Voor het eerst lijkt de nog splinternieuwe Interventiewet, vorig jaar aangenomen, zijn waarde te gaan bewijzen.

In tegenstelling tot Bos heeft de huidige minister Jeroen Dijsselbloem – samen met DNB – wel veel middelen om in te grijpen.

De Interventiewet bevat een zogeheten interventieladder. De bovenste sport van die ladder is onteigening door de minister van Financiën; daaronder de minder drastische maatregelen die genomen kunnen worden. Zoals het overdragen van spaardeposito’s aan een andere, gezonde bank. Of juist de schulden naar een ‘bad bank’, waarbij de staat het grootste deel van het risico zou dragen. En naar het zittende management hoeft niet meer worden te geluisterd.

Voorwaarde voor zulke vergaande maatregelen is wel dat de instelling in nood het financiële systeem van Nederland in gevaar brengt. En daarbij hoeft het niet alleen om banken te gaan; ook bij verzekeraars en beleggingsinstellingen kan hard worden ingegrepen. Aandeelhouders hebben dan wel het nakijken. De rechter geeft na een marginale toetsing – hij beoordeelt of de procedures zijn nageleefd – groen licht: aandeelhouders met meer dan 5 procent kunnen door de rechter worden gehoord, maar de kans is groot dat daar in crisissituaties helemaal geen tijd voor is.

De Interventiewet komt eigenlijk voort uit de parlementaire Commissie Onderzoek Financieel Stelsel uit 2010. „Tussen de zogeheten normoverdragende gesprekken die DNB met een bank kon voeren en het aanvragen van een faillissement zat een heel groot gat”, zegt Tweede Kamerlid Jan de Wit (SP), de voorzitter van die tijdelijke Commissie en later van de enquêtecommissie Financieel Stelsel.

Tot voor kort had toezichthouder DNB vooral bevoegdheden die een crisis zou moeten voorkomen, zoals de verplichting om grotere buffers aan te houden. Of een stille curator aan te stellen. Maar dat bleek bij een uitslaande brand te weinig.

Niet alleen aandeelhouders hebben het nakijken bij sommige ingrepen, ook de rol van het parlement is niet groot. De Kamer heeft bevoegdheden via de Interventiewet overgedragen. De Wit: „Als de stabiliteit van het systeem in het geding is, vind ik het logisch dat de minister de leidende partij is. Ook ten opzichte van DNB. Na afloop legt die minister dan verantwoording aan de Kamer af.”