Hoe groter het decor, hoe leuker

Rossini’s opera Guillaume Tell is de vierde samenwerking tussen regisseur Pierre Audi en decorontwerper George Tsypin. ‘Ik zoek de melodie van de ruimte’

Welke opera’s maakten bij De Nederlandse Opera de afgelopen twintig jaar de meeste indruk door de architectonische monumentaliteit en de zeggingskracht van de decors? Het antwoord is steeds: George Tsypin. De in Moskou als architect opgeleide decorontwerper was in Amsterdam verantwoordelijk voor producties van Pelléas et Mélisande (1993), Der Ring des Nibelungen (1997), Bijbelse stukken (1999), Les Troyens (2003) en La Juive (2009) – allemaal ensceneringen waarin monumentale constructies grootte en breedte van het Muziektheater optimaal benutten op een, ook vanuit de muziek en het libretto bezien, zinvolle manier.

„Zelf denk ik dat ik mij voortdurend vernieuw”, grinnikt Tsypin achter bril en zwarte borstelsnor. „Maar anderen zien foto’s van mijn werk en zeggen: Typically George! Vermoedelijk hebben ze gelijk. Elk decor is mijn persoonlijke reactie op een kunstwerk. Anderen doen onderzoek naar een opera, maken thematische plakboeken. Zo werk ik niet. Ik werk vanuit mijn eigen hoofd en probeer de melodie van de ruimte te vinden; een plastisch antwoord op de muziek die klinkt.”

George Tsypin (Kazachstan, 1954) begon in 1977 met denken over muziektheaterregie. Als architectuurstudent in Moskou deed hij mee aan een wedstrijd waarin men speurde naar ‘nieuwe en spontane ideeën voor het theater van de toekomst’ en werd naar eigen zeggen besprongen door ideeën. „De opdracht windt me nog steeds op”, zegt Tsypin. „En de technologieën die tot onze beschikking staan om theater uit de oude kaders te doen breken, zijn in dertig jaar enorm vergroot. Met techniek kun je theater veel fysieker maken.”

Uw decors bleven ondanks technisch vernuft in de eerste plaats architecturaal.

„Ja. En ik aarzel ook niet te zeggen: hoe groter, hoe leuker. Als architect organiseer je de ruimte, als decorontwerper doe je hetzelfde – maar dan met toevoeging van het element tijd. Dat maakt het een lastiger vak. Wat je ontwerpt is niet statisch, maar beweeglijk. Je ziet ook wel dat kunstenaars als Anselm Kiefer of Anish Kapoor decors ontwerpen, maar dat is een wezenlijk ander proces. Zij werken niet dramatisch maar ontwerpen een object dat ze als het ware aan de handeling ‘opleggen’. Maar zelfs dat kan werken; opera is een elastisch genre en verdraagt obscure decors. Dat is onderdeel van de charme van het genre.”

Uw eerdere samenwerkingen met Pierre Audi boden het tegendeel; daar hielpen de decors het verhaal te vertellen.

„Daarom wilde Audi in Guillaume Tell ook graag samenwerken: een verhaal vertellen kunnen wij samen goed.”

Hoe werkt dat? U gaat zitten en... .

„Voor alle duidelijkheid: een regisseur die al duidelijk weet wat hij wil, huurt mij niet in. Regisseur Peter Sellars zei eens over mij: George trekt altijd zijn eigen plan. Dat klopt, en dat moet ook. Regisseurs, ook de grootsten, hebben andere talenten nodig om zich te ontwikkelen. En het is juist dat rare spanningsveld tussen decorontwerper en regisseur dat kan leiden tot interessant theater. Daarom dwing ik mezelf ook expliciet niet te denken als een regisseur en toch iets ‘moeilijks’ te ontwerpen als ik daar zin in heb. Dat dwingt een regisseur tot ongewone vondsten, en dat leidt dan weer tot interessante voorstellingen.”

Maar alles begint toch met praten, overleggen? Waar gaat deze opera over en hoe pakken we het aan?

„Hoe spreek je over iets als ‘ruimte’? Dat is net zoiets als spreken over muziek. Muziek en architectuur zijn in essentie non-verbaal. Dus zo’n gesprek is niet een kwestie van: laten we het zo en zo doen. Het is meer, en nu word ik noodzakelijkerwijs vaag, een uitwisseling van energiestromen.”

Energiestromen?

„Haha, sorry hoor. Neem de samenwerking tussen Pierre en mijzelf in Wagners Der Ring des Nibelungen. Je begint dan heus wel bij het verhaal, maar al snel leidt dat tot een plons in de ruimte voorbij het narratieve. Want dát is nou precies de wereld die muziek ontsluit; een dimensie voorbij het tastbare. Bij film moet je bij het verhaal te blijven. Opera gaat verder. Dat is het leuke.”

U had recent veel succes met decors voor de Broadway-musical ‘Spiderman’. In hoeverre is musical anders dan opera?

„Musical is ook muziektheater, maar commercieel. Er moeten kaartjes worden verkocht, liefst voor een eindeloze reeks voorstellingen. Een musical die slaagt – en iedereen weet dat dat er maar één uit zeven is – loopt totdat er geen vraag meer naar is. Die vraag moet je dus voeden.

„De vraag is: hoe doe je dat? In elk geval moet je het publiek elke anderhalve minuut nieuwe visuals in het gezicht smijten, anders wordt het ze te statisch. Maar dat is niet de essentie. Zelfs in Hollywood hebben ze de succesformule kunnen vinden. Het is het mysterie van kunst; denk nooit dat je je publiek doorziet. Ik heb die fout gemaakt in mijn vrij behaagzieke ontwerp voor The Little Mermaid. Een flop. In Spiderman ben ik veel abstracter en ontoegankelijker geweest, dacht ik. Dat werd juist een groot succes.”

U bent hier voor ‘Guillaume Tell’. Vier uur opera over Zwitserland, oorlog, vrijheid, liefde, moed. Hoe vertel je zo’n verhaal zonder clichés?

„Dat was lastig. In Europa heerst in principe een ‘alles kan’-mentaliteit. Ik ben de kunstenaar, wat ik doe hoef ik niet uit te leggen. Vanuit die grondhouding had ik een eerste ontwerp gemaakt. Maar Guillaume Tell werd een co-productie met de Metropolitan Opera in New York. Daar dwingen commerciële druk en een ouder, vrij conservatief publiek je om helder te zijn. De decors moesten uitdagend zijn, maar niet te verwarrend. Evocatief-abstract, zeg maar. En het moest in veertig minuten op te bouwen zijn, want in de Met gaat elke avond een andere opera. (lacht)

„De praktische implicaties dreven Audi tot wanhoop. De bühne in de Metropolitan is smal en hoog, het Muziektheater breed en laag. Een Zwitsers landschap kun je panoramisch of verticaal suggereren, maar allebei? Dat gaat niet. Gelukkig heb ik er in een laat stadium nog spiegels bij bedacht om toch de nodige landschappelijke oneindigheid te kunnen suggereren. En tegen Pierre heb ik gezegd: je kunt Tell ondanks al die monumentaliteit ook opvatten als een intieme opera over intermenselijk conflict. Zo hebben de praktische beperkingen de productie uiteindelijk juist geholpen.”

Gesproken als een Amerikaanse pragmaticus. Maar waar is de Russische visioniair? Als decorontwerper wil je toch scheppen in een grote ruimte?

„Dat contrast raakt aan de filosofische essentie van wat je als decorontwerper doet. Alles draait om het vinden van een balans tussen discipline en gekte. Ik werk op dit moment aan twee projecten in sportstadions. Dat is leuk in zijn enormiteit. Maar gegeven beperkingen ombuigen tot voordelen is óók interessant. Is het ook goed voor je? Dat is een andere vraag. Scheppen is nooit goed voor een mens. In ernst: dit is een loodzwaar vak. Mijn hoofd kan nooit uit.”

Het decor is af, de première is volgende week. Waarom bent u in Amsterdam?

„Om te kijken. Soms werkt een scène niet. Dan kan één lamp al het verschil maken tussen een gevoel van gemis en magie. Het is kunst, hè? Schoonheid en lelijkheid liggen naast elkaar.”

De Ned. Opera/Ned. Phil. Orkest o.l.v. P. Carignani: 28/1-18/2, Muziektheater A’dam.

    • Mischa Spel