Grillig en excentriek - en altijd Adèle

Kleinkunstvedette Adèle Bloemendaal werd onlangs tachtig. Paul Groot en Sanne Wallis de Vries brengen een muzikale hommage.

Redacteur Kunst & Cultuur

Het accent van Adèle Bloemendaal is aanstekelijk. Ook in een interview kunnen Paul Groot en Sanne Wallis de Vries het niet laten haar na te doen. Groot imiteerde haar al eens in zijn programma Koefnoen en heeft weer op haar stem gestudeerd. Hij doet het voor. „Als je je mond in een snaveltje trekt” – hij tuit zijn lippen – „beetje zo’n duckface, dan gaat het geluid naar je neus en dan ben je al halverwege”. Adèle heeft van zichzelf een bestudeerde spraak, zegt hij. „Ze heeft zichzelf aangeleerd om netjes te spreken, waarbij je de klank voor in de mond uitspreekt. Die laagte van haar stem schijnt in de familie voor te komen.” Wallis de Vries: „Ze heeft die lage stem nog steeds, maar ze praat nu heel los. Met af en toe een zakdoekje langs haar mond.”

Tachtig jaar is ze net geworden, Adèle Bloemendaal, de voormalige vedette van de kleinkunst. Paul Groot en Sanne Wallis de Vries spelen haar allebei in een muzikale hommage aan haar leven en werk, begeleid door Martin van Dijk, eertijds pianist bij Adèle zelf. De voorstelling ging dinsdag in première.

Er is reden genoeg voor een eerbetoon. „Alleen al dat rijke repertoire dat je helaas nergens meer hoort”, zegt Wallis de Vries. „Ze zong zó veel mooie liedjes.” Groot: „Zoals ze zelf zegt: haar eigen kleinkinderen hebben geen idee wat oma allemaal gedaan heeft. Voor hen is zij iemand die af en toe een taart komt brengen. Die weten niet hoe groot zij was.”

Haar liedjes werden voor haar gemaakt door schrijvers als Jan Boerstoel en Hans Dorrestijn. Groot: „Feilloos pikte ze bij hen de beste liedjes eruit en dat hoor je.” Hoewel niet van eigen hand, draagt het materiaal wel haar karakter, meent Groot. „Niet voor niets klikte het erg met Dorrestijn. Die heeft die gekte van Adèle. Het zijn vaak krankzinnige liedjes, zoals ‘Lelijkheid’, een lofzang op de lelijkheid: ‘Meisje met je paardenbek, vol groezelgeel ivoor.’ Heel grappig.”

Op haar vijftigste besluit Bloemendaal helemaal haar eigen gang te gaan: geen slechte scripts meer verfilmen, maar haar eigen soloprogramma’s opvoeren. Haar autonomie was een voorbeeld voor vrouwen. Wallis de Vries: „Haar bewust alleenstaand moederschap was dapper. Maar vrouwen vonden haar ook eng.” Groot: „Mijn moeder vond haar ordinair. Om dat harde lachen. En Adèle was natuurlijk geen bedeesd iemand.” Wallis de Vries: „Ook mannen waren verdeeld. Voor sommigen was ze aantrekkelijk en sexy. Anderen vonden het niks. Dat moet je niet boven je hebben hangen, zal ik maar zeggen.”

In de voorstelling is te zien wat voor een grillige, excentrieke en eigenwijze vrouw Bloemendaal is. Wallis de Vries: „Dat compromisloze van haar spreekt me aan. Ze is wat ze is. Zij is altijd Adèle.” Groot: „Ze was niet bang om conflicten aan te gaan, de kont tegen de krib te gooien, samenwerkingen te verbreken. Als haar een ideaal voor ogen stond, dan moest daar veel voor wijken. Behalve de stem is er ook die typerende, royale lach van Bloemendaal. Die neemt Paul Groot voor zijn rekening. „Haar lach is niet zo geperst als je denkt. Het is opener. Het is een zeer aanstekelijk geluid.” Wallis de Vries: „Hij komt ook heel snel aanrollen.” Zelf waagt ze zich er niet aan. „Paul heeft de lach. Ik heb weer de benen van Adèle.”

De twee acteurs zien wel meer overeenkomsten met Adèle bij elkaar. Wallis de Vries: „Jullie hebben gemeen dat je goed weet wat je vakmatig wil. Dat je op de kern zit van wat je wilt maken en goed vindt. Daar ben ik veel zwabberiger in. Zit ik opeens Boer zoekt Vrouw te verklaren, terwijl ik de hele tijd denk: ik weet niet of ik dit wel moet doen.”

Groot humt instemmend. „Sanne heeft met haar dat hoekige karakter gemeen. Je weet niet altijd hoe ze zal reageren en ze kan ook fel uit de hoek komen.” Zijn collega mompelt dat het best wel meevalt. Groot, tegen haar: „Mensen die jou niet goed kennen, kunnen – net als bij Adèle – jou niet helemaal inschatten. Ze zijn misschien wel een beetje bang. Denk je niet?”

Eens zijn ze het over de prachtige liedjes, zoals ‘Vingerlied’: ‘Je vinger is de prins waar ieder meisje ’s nachts van droomt. Die stinkt niet naar jenever. Die kwijlt niet in je nek. Die doet gewoon zijn werk en dat doet-ie lang niet gek.’ Wallis de Vries: „Heerlijk om te doen, geweldig lied, prachtige tekst. Daar moet je niet te veel zelf mee willen.” Groot: „Dat is vaak zo. Je moet de liedjes eigenlijk stilstaand zingen. De teksten doen het werk. Het is vooral zaak om het zo zuiver en krachtig mogelijk te houden.”