Fulltime werken kan: met hulp in huis

Werken in deeltijd is niet nodig als de hulp van een buitenlands dienstmeisje geaccepteerd en wettelijk mogelijk zou zijn in Nederland, stelt Antoinette Vlieger.

Zowel de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (Oeso) als de hoofdredacteur van Opzij maakt zich zorgen over het feit dat in Nederland veel vrouwen in deeltijd werken. Schrijfster en verloskundige Beatrijs Smulders ziet er juist de voordelen van – voor de vrouwen zelf, maar ook voor de kinderen (Opinie, 22 januari).

Er is een derde weg, die in Nederland vreemd genoeg vrijwel onbespreekbaar is. Het werk in huis kan ook gedaan worden door niet-gezinsleden. Half Amsterdam draait op illegale schoonmakers, au pairs en babysitters, hoewel dit steevast ontkend wordt. Vroeger was huishoudelijk personeel evenwel de normaalste zaak van de wereld. In het buitenland is dit ook nu nog het geval.

Sociologe Sjoukje Botman, die vorig jaar promoveerde op het onderwerp huishoudelijke hulp, geeft als verklaring dat er geen juridische mogelijkheden zijn voor het inhuren van een inwonende huishoudelijke hulp uit het buitenland, hoewel er binnen Nederland te weinig aanbod is. Waarom, vraagt een rechtssocioloog als ik dan, is er bij ons een migratiewet tot stand gekomen die deze mogelijkheid niet biedt, waar dat elders wel het geval is? Nu wordt bijvoorbeeld de au pair geregeld ingeschakeld als hulp in huis, bij gebrek aan visummogelijkheden voor dienstmeisjes. De Immigratie- en Naturalisatiedienst benadrukt constant dat deze jonge vrouwen niet meer dan dertig uur per week mogen werken en primair op een culturele uitwisseling komen, waar vooral au pairs uit Azië vaak zelf vragen om meer uren – en meer inkomen. De Keukenhof kan hun in elk geval gestolen worden.

Het feit dat alleen Nederland hier zo moeilijk doet, hangt volgens Botman samen met twee kwesties: oude idealen over huisvrouwen en veranderde opvattingen over hiërarchie. Aan inwonend personeel werd in het verleden status ontleend, zoals tegenwoordig nog het geval is in onder meer het Midden-Oosten. De Amsterdamse werkgevers lijken daarentegen nog onder invloed te staan van het huisvrouwenmodel uit de jaren vijftig en zestig, waarin vrouwen status ontleenden aan een perfect georganiseerd huis. Tegenwoordig ontleent een deel van de werkgeefsters status aan het moeiteloos kunnen combineren van werk en huishouden, hoewel een deel van het werk feitelijk verricht wordt door een onzichtbare en in haar bestaan ontkende werknemer.

Het tweede opvallende verschil tussen de Nederlandse markt en huishoudelijke hulp elders is het feit dat werkgevers hier een afschuw lijken te hebben ontwikkeld voor hiërarchische verhoudingen. Waar werkgevers aan de ene kant status kunnen ontlenen aan het schone huis, worstelen zij aan de andere kant vaak met een schuldgevoel dat zij het werk overlaten aan een ander. Ze vinden dat ze het toch zelf hadden moeten kunnen. Deze gedachten zou volkomen vreemd zijn aan de door mij geïnterviewde Arabische werkgeefsters, die zichzelf volstrekt ongeschikt vinden om wc’s te reinigen.

Het is uitzonderlijk dat dienstmeisjes in Nederland geen visum kunnen krijgen, en in strijd met het internationaal recht. Visa mogen verstrekt worden bij grote tekorten in bepaalde sectoren van de economie. Dit gebeurt al decennialang voor mannelijke fabrieksarbeiders, aspergestekers of Indiase ICT’ers, maar niet voor vrouwelijke dienstmeisjes of schoonmaaksters. Het gevolg is dat de visa die verstrekt worden op basis van de Wet arbeid vreemdelingen voor ongeveer 70 procent worden uitgereikt aan mannen. Dit is een niet bewuste, maar flagrante schending van het Vrouwenverdrag. Weinig feministes kaarten dit aan, omdat zij evenmin vinden dat huishoudelijk werk het werk is waarvoor vrouwen een visum zouden moeten krijgen, maar hiermee beperken ze de werk- en migratiemogelijkheden van diezelfde vrouwen aanzienlijk.

Opvallend is bovendien dat er tegenwoordig veel verzet is tegen de aanwezigheid van visumloze migranten, hoewel het illegale huishoudelijk personeel zelden wordt gezien als problematisch. In Nederland is er weinig onrust over illegale Zuid-Amerikaanse of Filippijnse schoonmaaksters zonder papieren.

De discussie beperkt zich tot de vraag of vrouwen meer buitenshuis moeten werken en meer ondersteuning van hun man moeten eisen, of dat het eigenlijk prima geregeld is zo. De meest interessante vraag is daarentegen waarom we in Nederland zo’n uitzonderlijke positie innemen – zowel in de geschiedenis als in de wereld – met betrekking tot onze visie op, en wetgeving over, huishoudelijk personeel.

Antoinette Vlieger werkt aan de juridische faculteit van de Universiteit van Amsterdam en schreef een proefschrift over dienstmeisjes in Saoedi-Arabië en Dubai. De romanversie hiervan verschijnt in mei bij Prometheus, onder de titel Ver van mijn bed.