De dood van een baby, dat went nooit

Je wilt als arts zo graag helpen, zeker bij baby’s. Maar wat je kunt, is relatief, zegt gynaecoloog Joris van der Post. „Er wordt hier veel gehuild.”

Nederland, Amsterdam 17 januari 2013] Joris van der Post, Gynecoloog Foto: Merlijn Doomernik Merlijn Doomernik

Joris van der Post herinnert zich een baby die tien weken te vroeg werd geboren. Hij woog drie kilo, waarvan de helft opgehoopt vocht was omdat het hartje niet goed werkte. Ze twijfelden op de afdeling Verloskunde of ze het kind wel moesten behandelen. Twee maanden te vroeg plús een hartafwijking – zo’n kind had weinig kansen. Toevallig kwam Van der Post dat jongetje laatst tegen op de schaatsbaan. Hij was tien jaar. Van der Post herkende de vader.

Was dat kind nú geboren, dan zouden ze geen seconde twijfelen. Dertig weken? Eitje. Hartafwijking? De kindercardioloog kan steeds eerder behandelen. Van der Post: „Nu zien we veel afwijkingen al met 12 weken zwangerschap. We nemen te vroeg geboren baby’s al vanaf 24 weken zwangerschap in behandeling. Maar eerst vragen we wat de ouders willen – zíj moeten door die onzekere periode en zij moeten later zorgen voor een kind met eventuele handicaps.”

Het is een bizar gevolg van de groeiende technische mogelijkheden in de gynaecologie en neonatologie: er worden steeds minder baby’s geboren met een ernstige afwijking, maar er worden meer baby’s in leven gehouden die te vroeg zijn geboren. Soms, daardoor, met een ernstige afwijking.

Dat zit zo: sinds 2007 krijgt elke zwangere vrouw een echo na 20 weken. Een groeiende groep beslist de foetus ‘weg te halen’ als de echo een ernstige afwijking laat zien, zoals een open rug. In 2010 (de jongste cijfers) ging het om 317 afbrekingen. Tegelijk wordt een groeiende groep te vroeg geboren baby’s in leven gehouden. Veertig jaar geleden pas na 32 weken zwangerschap, sinds 2010 dus na 24 weken.

De eerste cijfers over het 24-wekenbeleid zijn binnen: tussen oktober 2010 en oktober 2011 werden bijna 200 baby’s in Nederland behandeld die waren geboren tussen 24 en 26 weken oud. De helft stierf alsnog.

Van der Post (56) werkt sinds 28 jaar als arts en gynaecoloog en is hoofd van de afdeling Verloskunde en Gynaecologie van het Academisch Medisch Centrum (AMC) in Amsterdam. Het ingewikkelde, zegt hij, is dat je nooit weet wat de gevolgen van vroeggeboorte zullen zijn. „Pas als je steeds vroeger geboren kinderen jarenlang volgt, kun je tegen de ouders zeggen: uw kind maakt zo veel kans op dit en zo veel kans op dat. Dan kan je dus ook pas weloverwogen kiezen. Vroeger dachten we: we kennen de gevolgen niet en dus behandelen we niet. Nu denken we: we kennen de gevolgen niet en dus geven we het kind een kans.”

Op de afdeling van Van der Post werken 160 mensen, die jaarlijks ruim 16.000 vrouwen (en baby’s) behandelen. Hier komen moeders met de ingewikkeldste afwijkingen, van heel ernstige zwangerschapsvergiftiging tot hiv. En baby’s die veel zorg nodig hebben. Te vroeg geboren, met zuurstoftekort of, heel soms, met een drugsverslaving.

Kinderen krijgen lijkt de afgelopen decennia een onomstotelijk recht te zijn geworden. Van der Post: „Vroeger zeiden we regelmatig tegen een moeder: u kunt beter geen kinderen krijgen. Als ze bijvoorbeeld een ernstige auto-immuunziekte had. Dat zeggen we nu vrijwel nooit. Iedereen krijgt een kans.” Ze krijgen begeleiding en een fertiliteitsbehandeling. Ook vrouwen die roken. Studies tonen aan dat nicotine de foetus beschadigt. Kinderen van wie de moeders rookten, worden gemiddeld 150 gram lichter geboren. Is het niet gek dat artsen een vrouw dan helpen om zwanger te worden? „We voeren die discussie hevig, maar we zijn er niet uit. Bij obese vrouwen zeggen we nu wel om praktische redenen: eerst afvallen en dan pas krijgt u een fertiliteitsbehandeling. Tenminste, als ze niet al te oud zijn. Want we weten dat overgewicht de vruchtbaarheid vermindert.”

Kort geleden ging er een schok door de gynaecologenwereld. Een arts in het ziekenhuis in Hoorn werd door de strafrechter (voorwaardelijk) veroordeeld voor de dood van een baby. Dat gebeurt vrijwel nooit. Het Centraal Medisch Tuchtcollege oordeelde, eind november, milder. Dat de gynaecoloog fouten had gemaakt, stond vast. Maar hij werd berispt, en niet geschorst.

De eerste bevalling van de moeder was geëindigd in een spoedkeizersnee. De gynaecoloog zou niets weten van de afspraak dat deze tweede bevalling sowieso ook in een keizersnee zou uitmonden. Hij ging naar huis omdat hij uitging van een normale bevalling, en die vorderde niet. En toen gebeurde waar de ouders voor vreesden: het litteken van de vorige keizersnee begaf het, de moeder onderging een spoedoperatie en later stierf het kind.

De beroepsgroep is geschrokken van de veroordeling. Van der Post: „Dit had ons allemaal kunnen overkomen. Dat de tuchtrechter je berispt, vinden we al erg. Maar een veroordeling! Ik ben bang dat we voortaan bij iedere vrouw die de eerste keer met een keizersnee is bevallen, veel vaker een keizersnee zullen toepassen. Dan loop je minder risico. Lijkt het. Zo gaat het in de Verenigde Staten. Maar risicoloos is een keizersnee niet. Elk jaar sterven in Nederland een paar moeders tijdens of na een keizersnee. Ik blijf vinden: hoe minder keizersnedes, hoe beter.” 16 procent van de bevallingen in Nederland eindigt in een keizersnee; in de jaren zeventig was dat 10 procent.

De ergste fout die hij zelf ooit maakte, vergeet hij nooit. Een zwangere vrouw, die een paar dagen voor observatie was opgenomen, ontsloeg hij uit het ziekenhuis. Daarop kreeg ze een complicatie waarna ze weer met spoed moest worden opgenomen. De baby overleed. „Ze had moeten blijven. Ik had haar niet moeten ontslaan.” De patiënt heeft het hem niet kwalijk genomen, zegt hij. Hij zichzelf des te erger.

Daarna, vertelt Van der Post, moest hij oppassen dat hij niet elke vrouw onnodig in het ziekenhuis liet blijven. „Dan moet je als team elkaar waarschuwen: Joris, we gaan deze vrouw niet hier houden omdat jij toen een inschattingsfout maakte.”

De dood van een baby went nooit. „En gaan hier wekelijks baby’s dood. Dat is elke keer heftig. Er wordt hier veel gehuild. Ook door ons, het personeel. Toen ik begon, werd er amper over gepraat: de dood hoorde bij het vak. Nu gaan we er bewuster mee om: hoe vertel je de patiënt over de dood? Hoe vertel je hem of haar over een fout? Hoe bespreek je het met elkaar en maak je er verslag van?”

Een dokter moet afstand kunnen nemen, zegt hij. „Je denkt dat je als dokter veel kunt betekenen – dat maakt het zo’n aantrekkelijk vak – maar dat is relatief.”

Het brengt hem op Ernst Jansen Steur, de verslaafde ex-neuroloog uit Twente die strafrechtelijk vervolgd wordt wegens verkeerde diagnoses. „In ieder van ons schuilt een Jansen Steur. Dat moet je beseffen, vind ik. Je wilt iemand helpen, als dokter, en als dat lukt, is dat zó bevredigend. Dat kan verslavend zijn. Als je daarin steeds verder gaat en je werkt als solist en als de druk te groot wordt, dan zie je misschien geen grenzen meer.”