Zijn wij niet heel ruimdenkend?

Veel Nederlandse cabaretiers bekritiseren de maatschappelijke consensus niet, maar bevestigen die, betoogt Sjoerd de Jong. Als moslims nou maar om zichzelf lachen, hoeven wij niet meer bang te zijn.

Freek de Jonge en Bram Vermeulen: Neerlands Hoop in Bange Dagen [bij de stadsschouwburg van Amsterdam], met het aankondigings bord, jaren '70.;

Het was hem nog meegevallen.Eén sneer naar prins Bernhard, nou vooruit dan maar. Die vroeg er ook om, met Lockheed. Maar gelukkig niet al te veel zieke grappen over de oorlog, of over gehandicapten.

„Nou, die jongens zullen goed verdienen”, stelde mijn vader na afloop vast, terwijl de jeugd in spijkerpak het theater verliet.

Het was 1976. We stonden buiten Luxor in Rotterdam, na een voorstelling van Interieur van Neerlands Hoop. Mijn ouders, zus en zwager, en ik. Een avondje modern cabaret, dat vonden mijn zus en zwager, VPRO-kijkers, nu een leuk cadeau bij het huwelijksjubileum van mijn ouders, trouwe CDA-stemmers.

Ik had geaarzeld – zou mijn vader (61), oorlogsgeneratie, dat wel leuk vinden? Met zijn Friese, gereformeerde opvoeding en zijn feilloze gevoel voor onhandige timing? Geboren in 1914, op de arbeidsmarkt gekomen in 1929, als militair aan de Duitse grens aangetreden in 1940, bij de brandweer te Rotterdam begonnen in 1943 en net een nieuwe DAF gekocht voor de oliecrisis van 1973.

Maar de voormalige brandmeester uit Sneek vond het best leuk, wat ‘Bram en Freek’ deden, en dat was ook wel logisch. Hij wilde graag bij de tijd zijn. Op zijn bureau vond ik een jaar later een kleine inleiding in leven en werk van Elvis Presley, toen net bezweken aan een overdosis pillen en pindakaas.

Eigenlijk was het vooral mij tegengevallen, de 16-jarige junior in het gezelschap.

Want was dat nou die burgerschrik, dat cutting edge maatschappijkritische cabaret waar je zo veel over hoorde? Dit was eerder vermaak voor de hele klas. Het publiek was een dwarsdoorsnede van mijn schoolplein. Brommerjongens, brave meisjes, zelfs leraren.

Kortom, Neerlands Hoop van Freek de Jonge en Bram Vermeulen, in de jaren zestig geboren uit de botsing tussen de ‘progressieve’ voorhoede en het verguisde ‘klootjesvolk’, was toen al danig ingeburgerd aan het raken.

Veertig jaar later behoren de zieke grappen van ‘Bram en Freek’ alweer tot de prehistorie van een cabaret dat routinematig grossiert in grofheid en de keerzijde ervan, sentiment. Épater le bourgeois was ooit het doel. Maar de burger epateert zich tegenwoordig zelf wel.

Zo is de schoktherapie van weleer een maniertje geworden, een sleetse schijnbeweging om je eigen authenticiteit en morele verontwaardiging te etaleren. Bas Heijne hekelde in een dodelijke column alle „gespeelde agressie” van cabaretiers „over een samenleving waarin iedereen – heel gek – agressief doet”.

Misschien begint dat besef langzamerhand door te breken. Cabaretier Theo Maassen kreeg onlangs een bak kritiek over zich heen, naar aanleiding van zijn programma Met alle respect, waarin hij een smakeloze opmerking maakt over de beveiliging van Geert Wilders en een tof geintje over de Volendamse cafébrand.

Lachen! Of toch niet meer?

Markeert die kleine rel een ommekeer in de Nederlandse cabaretcultuur?

Ian Buruma stelde ooit een rake diagnose van de Hollandse behoefte aan ‘harde humor’, in zijn meesterlijke reportage over de moord op Theo van Gogh, Dood van een gezonde roker. Van Gogh was volgens veel van zijn bewonderaars alleen maar zo grof omdat hij niet tegen hypocrisie kon – ja, net als de Nederlandse cabaretiers na de jaren zeventig.

Ik ben eerlijk, en dus ben ik bot.

Ian Buruma noemde dat „de verheffing van lompheid tot een soort moreel ideaal”. Is dat iets typisch Nederlands? Misschien wel als het om opinies gaat, om onze eigen ‘normale’ mening, die vooral door iedereen moet worden gedeeld.

Want op andere fronten staat Nederland juist bekend als een land dat weinig expliciete gedragsregels kent en eerder „feminiene” waarden koestert: niet dikdoen, niet naast je schoenen lopen, je niet beter voordoen. Maar het past bij elkaar.

Egalitarisme en conformisme zijn de dreunende ondertoon van al dat bozige quasicynisme op de bühne. Humor wordt dan een manier om te zeggen: doe nou maar gewoon, dan doe ik wel even gek.

De Belgische filosoof Paul Wouters, auteur van het boek België-Nederland, legde het in een interview eens mooi uit: loop een Belgisch kantoor binnen en je ziet in één oogopslag wie de chef is; in Nederland moet je dat vragen.

Je ziet het ook in personeelsadvertenties: gevraagd wordt soms „gevoel voor humor” én „gevoel voor verhoudingen”. Beide bevestigen een sociale orde die is gestoeld op ‘normaal doen’ en ‘je niet beter voelen dan een ander’.

Maar ja, humor is vaak eerder een ondermijning van de verhoudingen, een aantasting van de ‘natuurlijke’ orde der dingen. Komieken zetten op losse schroeven wat vanzelfsprekend wordt geacht – dat is hun functie.

Kritische komieken zijn dan ook, net als filosofen, niet erg geliefd in dictaturen of elders waar één Goedgekeurde Mening heerst. Grappen worden getolereerd van de hofnar. Onschadelijk, nog voor ze zijn uitgesproken.

Het opmerkelijke aan veel van die eigentijdse Nederlandse cabaretiers is dat hun humor eerder een maatschappelijke consensus lijkt te bevestigen dan te bekritiseren, namelijk die van de wereld van Pauw & Witteman. Kijk eens hoe modern en ruimdenkend wij zijn.

Vandaar dat cabaret ook een manier kan worden om anderen aan te pakken die zich aan die liberale consensus onttrekken. Ja, zoals moslims, of gelovigen in het algemeen. Grappen maken over zulke gekkigheid móét!

Niet omdat wij zo nodig willen lachen om de islam (dat is ons al lang vergaan), maar omdat we willen dat moslims onze grappen over hen ‘tolereren’. Of om zichzelf lachen. Want dan hoeven wij niet meer bang te zijn.

Die benarde behoefte doordrenkte ook het gesprek van Pauw en Witteman met Maassen: het duo, niet bepaald bekend om hun zelfspot, beet zich vast in de vraag waarom Maassen geen harde grappen maakte over, zoals Pauw het zei, „die rare islam”.

Of denk aan de politiek gemotiveerde oproepen aan artiesten om een islamitische variant op Life of Brian te maken, de satire op het leven van Jezus. Ja, natuurlijk valt er dankbaar te spotten met religie, ook met die van moslims. Er zijn genoeg geestige voorbeelden van.

Maar Life of Brian als verplichte cursus inburgering? Is dat nog om te lachen?

Satire is dan geen middel meer om een opvatting van de meerderheid op losse schroeven te zetten, maar een wapen om een gewantrouwde minderheid te disciplineren.

Is dat een goed idee?

Grappig is het in elk geval niet.

Ik geloof trouwens dat mijn vader toch ook, stiekem, moest lachen om die grap over prins Bernhard.

Maar die mocht hij toch al niet.

    • Sjoerd de Jong