Waarom Mali wel en Syrië niet?

Levens redden is voor het Westen geen reden om militair in te grijpen over de grens. Waarom sturen we dan wel militairen? Dat laat een vergelijking tussen Mali en Syrië goed zien.

Waarom lukte het om op korte termijn een beslissing te nemen over ingrijpen in Mali, maar na twee jaar niet over ingrijpen in Syrië?

Die vragen stelde Guy Verhofstadt, leider van de liberale fractie in het Europees Parlement vorige week. „Ik ben gefrustreerd en boos”, zei hij, voordat het parlement bijeenkwam om te spreken over het Franse ingrijpen in Mali, „dat zo’n zitting niet bijeen is geroepen om ingrijpen in Syrië te bespreken”.

Goede vraag. Waarom Mali wel en Syrië niet.

Het korte antwoord is: omdat de regering van Mali om een interventie vroeg en die van Syrië niet. De Malinese president Dioncounda Traoré vreesde na de inname van het stadje Konna dat de extremisten zouden doorstoten naar hoofdstad Bamako. De Fransen konden aan het verzoek gehoor geven, omdat de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties in december een resolutie had aangenomen die een buitenlandse interventie legitimeert.

Maar Verhofstadt zal niet tevreden zijn met dit antwoord. Het geeft namelijk geen antwoord op de vervolgvragen, die doorklinken in zijn woorden. Hoe kunnen we, bij het zien van zo veel menselijk leed, aan de zijlijn blijven staan? Heeft de internationale gemeenschap niet de morele plicht om in te grijpen in Syrië?

Vanuit moreel oogpunt ligt een interventie in Syrië meer voor de hand dan in Mali. Want hoe ernstig de situatie in Mali ook is – honderdduizenden vluchtelingen, mogelijke destabilisering van de regio – in Syrië is sprake van „een van de gewelddadigste conflicten van de laatste tijd”, zoals Yves Daccord, directeur-generaal van het Internationale Rode Kruis, het vorige week in deze krant verwoordde. VN-secretaris-generaal Ban Ki-moon was eind 2011 stellig: „Dit kan zo niet doorgaan. In naam van de mensheid: het is tijd voor de internationale gemeenschap om in actie te komen.”

Ook het leed van de Malinezen is groot: de rebellen onderwerpen hen aan een rigide versie van de islam, compleet met publieke amputaties en steniging van ongehuwde stelletjes. Maar de internationale gemeenschap kijkt inmiddels al twee jaar besluiteloos toe hoe de Syrische president Bashar al-Assad een opstand tegen zijn bewind met grof geweld neerslaat en zijn eigen bevolking met raketten en bommenwerpers bestookt. Er vielen tot nu toe 60.000 doden, enkele miljoenen Syriërs moesten hun huis ontvluchten.

Ingrijpen of niet? Over elke discussie daarover valt de schaduw van Neville Chamberlain, de Britse premier van vlak voor de Tweede Wereldoorlog. In 1938 zei hij, toen hij op het punt stond om af te reizen naar een bijeenkomst in München: „Hoe verschrikkelijk, fantastisch en ongelooflijk is het dat wij loopgraven zouden moeten graven en gasmaskers zouden moeten passen vanwege een ruzie in een ver land, tussen mensen van wie we niets weten.”

In München zou Chamberlain Tsjechisch Sudetenland aan Duitsland ‘verkwanselen’ om Adolf Hitler te apaiseren, en vervolgens de historische woorden peace for our time sprak. Achteraf bleek dit het begin van de verovering van heel Europa en sindsdien staat Chamberlains politiek synoniem voor lafheid. Volgens de meeste historici loopt er een rechte lijn van München naar de Holocaust.

Dat nooit meer.

Helaas. De internationale gemeenschap keek in 1994 opnieuw lijdzaam toe terwijl zich een genocide voltrok: Rwandese Hutu’s slachtten binnen honderd dagen ruim 900.000 Tutsi’s en gematigde Hutu’s af. En een jaar later opnieuw, toen Servische militairen ruim 8.000 Bosnische moslims vermoordden, vrijwel onder de ogen van Nederlandse blauwhelmen.

Kofi Annan, toen nog ondersecretaris-generaal van de VN, ervoer deze episodes als een persoonlijk falen. Hij besloot dat de VN niet altijd neutraal kunnen blijven als ergens een oorlog of burgeroorlog woedt. Als een regering haar eigen burgers niet kan of wil beschermen, of hen zelfs moedwillig in gevaar brengt, heeft de internationale gemeenschap de verantwoordelijkheid om in te grijpen. Het was de aanzet tot een beginselverklaring van die strekking, die de VN aannam in 2005.

Toch lijkt er sindsdien weinig veranderd. Morele overwegingen geven nog steeds niet de doorslag in de internationale politiek. De interventie van de NAVO in Libië, in 2011, werd gerechtvaardigd met een beroep op de verantwoordelijkheid om burgers te beschermen. Daartoe aangespoord door de Franse filosoof Bernard-Henri Lévy, steevast gekleed in een halfopen overhemd, die tegen president Sarkozy zei: „Als er een bloedbad is in Benghazi, dan zullen bloedspetters de Franse vlag besmeuren.” Maar zou de NAVO ook in actie zijn gekomen als Libië geen olie- en gasvoorraden had gehad? Geopolitiek was het gevaar beperkt: Gaddafi had geen machtige vrienden die pal voor hem stonden.

Ook bij de interventie in Mali spelen humanitaire overwegingen nauwelijks een rol. Frankrijk vreest vooral dat er een terroristenstaat op de drempel van Europa ontstaat, waar Al-Qaeda en aanverwante groepen het voor het zeggen hebben en vrijuit aanslagen in het Westen kunnen beramen.

En, schrijft de Franse anti-kernenergieactivist Stéphane Lhomme op zijn website: die interventie is „bedoeld om te zorgen dat Franse kerncentrales voorzien zijn van uranium: dat wordt gewonnen in de mijnen van Noord-Niger, een woestijngebied dat slechts van Mali is gescheiden door een lijn op de kaart.” De extremistische groepen die in Noord-Mali de scepter zwaaien, hebben al meerdere medewerkers van de Franse energiegigant Areva in Niger ontvoerd.

Hoe anders ligt dat in Syrië. Na jarenlange sancties heeft het Westen nauwelijks economische belangen in het land, dat amper olie- of gasvoorraden heeft. Van het regime-Assad gaat geen directe dreiging uit voor het Westen. Er is wel vrees dat zijn val het kruitvat Midden-Oosten nog gevaarlijker maakt.

Een ander verschil met Mali is dat Rusland en China elke resolutie in de Veiligheidsraad blokkeren die ook maar in de verste verte riekt naar buitenlandse inmenging in Syrië. Ze weten nog goed hoe twee resoluties, die bedoeld waren om de burgerbevolking in Libië te beschermen, door de NAVO werden aangegrepen om het regime van Moammar Gaddafi omver te werpen. Ze vrezen hetzelfde scenario in Syrië.

In Mali dreigt geen regime change, aangezien de regering zelf om interventie heeft gevraagd. In de resolutie die de Veiligheidsraad in december aannam, wordt wel verwezen naar de ‘verantwoordelijkheid om te beschermen’. Maar Malinese burgers hoeven niet beschermd te worden tegen hun regering; die regering moet juist ondersteund worden om haar burgers te beschermen. Daarom hadden Rusland en China geen bezwaar tegen de resolutie.

Tot zover de intenties. Maar goede bedoelingen alleen zijn niet genoeg. Als je ten strijde trekt, moet je ook zorgen dat je de oorlog wint. Anders is het middel misschien erger dan de kwaal.

En ook dat speelt hier een rol. Het Syrische regime blijft hecht en heeft één van de sterkste legers van de regio. De oppositie is daarentegen hopeloos verdeeld en vertoont deels dezelfde autoritaire trekken als het regime. Het aantal islamitische extremisten groeit en zij gebruiken ontvoeringen, gijzelingen en aanslagen in de strijd tegen Assad. Hoe moet een interventie in deze chaos eruitzien? En: wie komt na Assad aan de macht?

Een interventie in Mali lijkt op het eerste gezicht gemakkelijker. Frankrijk neemt het niet op tegen een sterk regeringsleger, maar tegen drie extremistische groepen met elk een paar duizend strijders, die bovendien verschanst zitten in dunbevolkt woestijngebied.

Maar goed, ook in Libië leek een succesvolle interventie haalbaar. Een onbedoeld gevolg was echter dat het wapenarsenaal van Gaddafi werd geplunderd en de Sahara veranderde in een grote wapensupermarkt. Zwaar bewapende Toeareghuurlingen, die voor Gaddafi hadden gevochten, keerden terug naar Mali om zich bij de opstand te voegen. De uitkomst is bekend. In zekere zin ruimt Hollande de puinhoop van Sarkozy op.

De moraal? Alleen het resultaat telt. De Franse interventie in Mali kan grote, onbedoelde gevolgen hebben. De aanvankelijke juichstemming onder Franse media en politici („eindelijk president!”) is omgeslagen in de vrees dat Frankrijk zich in een hachelijk conflict heeft gestort.

Romano Prodi, speciaal VN-gezant voor de Sahel, zei vorige week tegen dagblad Die Welt, net terug uit Bamako: „In zulke situaties geldt helaas: hoe dichterbij je staat, hoe minder je begrijpt.”

    • Toon Beemsterboer