Spelen met kwetsbare ego’s die naar bevestiging hunkeren

The Master. Regie: Paul Thomas Anderson. Met: Joaquin Phoenix, Philip Seymour Hoffman, Amy Adams, Laura Dern. In: 30 bioscopen (de 70mm-kopie draait in Eye, Amsterdam).

In zijn zesde film The Master neemt regisseur Paul Thomas Anderson ruim de tijd om zijn hoofdpersoon te introduceren. Het is 1945 en Freddie (Joaquin Phoenix) bevindt zich aan boord van een oorlogsschip. Een verwarde geest, getraumatiseerd door het geweld misschien. Hij maakt zijn eigen alcoholische brouwsels, is geobsedeerd door seks, zit even in een inrichting en probeert zichzelf bij elkaar te rapen met een baantje als portretfotograaf in een warenhuis – tot hij ook daar een klant molesteert.

Rond 1950 wandelt hij halfdronken een luxe boot op die toebehoort aan Lancaster Dodd (Philip Seymour Hoffman), de leider van de spirituele beweging The Cause en schrijver van het gelijknamige boek, een flinke pil vol vage teksten. Met zijn volgelingen en vrouw en kinderen aan boord is hij op tournee om zijn beweging en boek te promoten – zijn sekte vertoont sterke overeenkomsten met scientology.

Tussen Lancaster, door zijn volgers de meester genoemd, en de door de oorlog getekende Freddie ontstaat een vreemde vriendschap; eentje die laveert tussen afhankelijkheid en onafhankelijkheid, tussen rebellie en loyaliteit. Instinctief voelt Dodd aan dat Freddie psychische problemen heeft (gehad) en speelt hij meesterlijk in op diens naar bevestiging hunkerende ego. Freddie wordt een soort manusje van alles: maker van krachtige drankjes, gespreksgenoot en uitsmijter. Het raakt aan bekende thema’s van Anderson: de psychologische spelletjes van aantrekking en afstoting, de obsessieve vader-zoonrelaties uit eerdere films als Hard Eight, Boogie Nights en Magnolia.

Doordat Anderson zoveel tijd uittrekt om Freddie als rusteloos, gefrustreerd en licht ontvlambaar personage neer te zetten, voelt de toeschouwer dat het vroeg of laat tot een botsing tussen hem en Dodd moet komen. En dat gebeurt ook, keer op keer. Waarbij Dodds vrouw (Amy Adams) in venijnige scènetjes laat zien wie er écht de broek aanheeft binnen de sekte. De bij vlagen schurende muziek van Radiohead-gitarist Jonny Greenwood draagt sterk bij aan het gevoel van ongemak.

The Master is een logisch vervolg op Andersons There Will Be Blood. Beide films draaien om kwesties als macht, deceptie, gesublimeerd geweld en het verlies van illusies. De vraag die The Master opwerpt is prikkelend: heeft niet iedereen op een of andere manier een meester nodig?

Hoewel The Master vooral het portret is van twee mannen die elkaar treffen, besnuffelen en uitdagen, zitten er weer typische Anderson-beelden in. Anderson, die de film grotendeels in het in onbruik geraakte, extra scherpe 70mm-formaat filmde, houdt van lange, ononderbroken takes. Zo filmt hij een mannequin die dwars door het warenhuis paradeert waar Freddie werkt terwijl op de geluidsband Ella Fitzgerald heel passend Get Thee Behind Me Satan zingt – een treffende illustratie van Freddies oververhitte seksuele fantasie.

Toch is The Master minder pronkerig dan Andersons eerdere werk. Zelfs het 70mm-formaat, in de jaren zestig gebruikt voor spektakelfilms als Ben-Hur, staat in dienst van het verhaal. Anderson filmt zijn acteurs veelvuldig in close-up en beperkt de panoramische shots waartoe zijn breedbeeldtechniek uitnodigt tot een motortocht in de woestijn. De acteurs grijpen de kans om te excelleren gretig aan, misschien af en toe té gretig. Is Joaquin Phoenix’ mompelende dictie niet een onsje te veel?

    • André Waardenburg