Column

Sneeuwkettinkjes

Lezers vormen niet alleen de financiële ruggengraat van de krant, ze kunnen ook de columnist helpen bij praktische levenskwesties. Zo kreeg ik veel nuttige tips toen ik jaren geleden in een stukje mijn beklag deed over de onwrikbare verpakkingen van allerlei artikelen. Mijn vertwijfeling werd gedeeld door veel lezers, die zoals een lezeres schreef, „half huilend van frustratie met slimme doppen stonden te worstelen”.

Nog onlangs stuurde een trouwe lezer mij een zogenaamde potopener waarmee hij me veel plezier toewenste. Het bestond uit een doosje met een scherp ijzeren puntje, dat je in het bewegingloze deksel van een of ander potje moet drukken. Gaatje erin, vacuüm weg, en hup, het deksel is als was in je handen. Dank u, lezer! Hiermee voorkomt u dat ik, net als die voetballer van PSV, uit wanhoop en woede mijn arm door de glazen keukendeur steek.

Andere lezers raadden mij voor winterse dagen een soort sneeuwkettinkjes – ijzeren ringetjes bevestigd aan rubber – onder mijn schoenen aan. Ik heb er dezer dagen nog vaak het grootste plezier van. Ze geven me dan een zeker Kees-de-Jongen-gevoel: terwijl je, bijna achteloos, beijsde stoepen en wegen verovert, voel je de groeiende bewondering van de voorbijgangers. Zie je die man? Als een jonge jongen, zó kwiek en moedig!

„En de mensen die hem voorbijgingen, wisten niet, dat daar een jongen ging, die àlles zou kunnen, nu hij eenmaal begonnen was; dachten dat het maar zo’n gewone jongen was, een jongen nog zonder geschiedenis, een jongen die daar zo-maar liep…”

Helaas zijn er ook nadelen verbonden aan de bevoorrechte positie die de antiglij-ijzers me geven. Waarom kan het leven nou nooit eens onvoorwaardelijk aardig voor je zijn, waarom altijd dat langzaam uitdijende wolkje aan de blauwe hemel?

In de Nederlandse dorpen en steden worden de burgers geacht hun stoepje schoon te houden van sneeuw en ijs. Een dure burgerplicht, heet dat. Sommigen houden zich hieraan, anderen niet. In Amsterdam zien velen dat schoonvegen als een vorm van potsierlijke uitsloverij, maar er zijn ook brave Amsterdammers – vooral vrouwen, valt mij op – die schep en bezem dapper ter hand nemen. Ik moet hun dringend verzoeken: láát dat. Nu ik mijn sneeuwkettinkjes onder heb, is niets mij zo dierbaar als een glinsterend beijsde vlakte waarop iedere normaal geschoeide burger in machteloze verbijstering onderuitgaat – en zijn nek breekt. Helemaal niet erg. Ik heb al eerder op deze plek gewaarschuwd voor de gevaren, en wie niet lezen wil, moet vallen.

Maar nu ontstaat langs de Amsterdamse grachten en straten op sneeuwdagen een té gevarieerd beeld: hier een grondig schoongeveegd stoepje, daar een ijzig gevalletje en verderop een halfslachtig geruimd stukje. Het bevestigt het licht anarchistische imago van de stad, maar daar kopen we geen brood voor. We willen over bevroren water lopen. We willen laten zien dat we de natuur de baas zijn.

En daar sta je dan met je sneeuwkettinkjes. Op harde steen lopen ze niet comfortabel, ze willen de zachte, weelderige ondergrond van de moederlijke sneeuw.

Zo begin ik een steeds eigenaardiger gestalte in het Amsterdamse sneeuwlandschap te worden naarmate de dooi vordert. Op schone stukken stoep zoek ik juist de vieze, grauwe sneeuwresten aan de randen om mijn kettinkjes een prettig gevoel te geven. Ze haten de smetteloze stenen, ze willen prut.