Roddelen en huilen doet ze niet

Wekelijks doet Japke-d. Bouma verslag van haar ontmoetingen met allerlei typen collega’s. Deze week: de Powerlady. Alles kan ze. En alles aan haar schreeuwt dat jíj faalt.

Als je ’s ochtends om zeven uur binnenkomt, zit ze al geconcentreerd te tikken. ’s Avonds bij de borrel is ze er nog. Ook als haar dochter jarig is, want dat is volgend jaar toch weer.

In veertig seconden kan ze uitleggen hoe iets beter moet. Het liefst voor een zaaltje met mannen in pakken.

Ze vraagt nooit hoe het met je is.

Dit is de powerlady. De enige vrouw, hoog in de organisatie. Voor haar is er geen glazen plafond. Onaantastbaar is ze. Inhoudelijk, ferm, straight. Alles kan ze, alles doet ze, alles lukt haar.

Je moet een bitch zijn om aan de top te komen, dacht je. Maar zij bewijst dat dat gelul is. Ze is aardig en vrij. Ze kan lachen om een goede grap. Hooguit zou je kunnen zeggen dat ze altijd afstand houdt, geen foto’s van haar kinderen op haar telefoon heeft, dat niemand haar echt kent en dat ze nooit ziek is.

Dat is het nadeel. Niets kun je haar aanwrijven.

Aan roddelen en huilbuien doet ze niet. Net als al dat andere gelazer dat vrouwen een slechte naam geeft op kantoor – gieren, dwepen, zingen, backstabbing. De powerlady is altijd opgeruimd.

Als je haar zwetend nerveus komt vertellen dat je zoon zijn arm gebroken heeft bij het meisjeswerpen, lacht ze minzaam dat ze jouw werk wel even overneemt.

Zelf vermoed je dat haar perfecte uiterlijk een façade is waarachter een onoverzichtelijk leven van gemiste afspraken, rommelige relaties, onuitgeslapen kinderen en onbetaalde rekeningen schuilt. Anderen fluisteren dat haar man en kinderen niet bestaan. Maar dan komt altijd weer die collega op de proppen die ooit bij haar thuis was. Leuke man heeft ze juist. En ja, ze zwemt vier keer per week, is elke zondagochtend scheidsrechter op het hockeyveld, heeft twee konijnen en een hond.

Het grootste probleem: alles aan haar schreeuwt dat jíj faalt. Haar leven loopt op rolletjes door een leger van werksters, studentes, een schoonmoeder en een tuinman, het jouwe niet. Zíj heeft een goede biologische traiteur, jij niet. Háár kinderen komen goed terecht, de jouwe niet. Zíj gaat door, jij bent afgehaakt.

Argumenten heb je niet.

De powerlady maakt je onzeker.

Ergens moet ze toch eenzaam zijn? Ergens moet ze toch wel eens zitten te huilen? Of moe zijn? Ergens moet het toch verschrikkelijk zijn, zo’n leven tussen de mannen met powerplay? En dat je kleren altijd worden geïnterpreteerd als een geheim signaal? Dat de mensen over je roddelen? Dat je altijd wordt afgerekend als man, terwijl je dat niet bent? Dat je overal buiten valt?

Maar de powerlady geeft geen krimp.

Er is niemand zoals zij.