'Ik ben een aandachtsjunk'

The Master is vanavond de publieksopening van het Rotterdams filmfestival. Joaquin Phoenix kreeg als Freddie Quell zijn derde Oscarnominatie.

BRAY_20110808_UW_5448.CR2

Een echte acteursfilm. In de race om de Oscars bleek The Master onlangs niet mee te doen in de strijd om beste film of regie. De drie Oscarnominaties draaien om acteren: beste mannelijke bijrol voor Philip Seymour Hoffman als sekteleider Lancaster Dodd, beste vrouwelijke bijrol voor Amy Adams als diens pinnige echtgenote Peggy, beste acteur voor Joaquin Phoenix als bekeerling Freddie Quell, een drankzuchtige, oversekste bundel agressie, tremors en tics. „Een wild dier”, zegt regisseur Paul Thomas Anderson in Venetië. „Dodd wil hem temmen, maar is zelf eigenlijk een wild beest en herkent zich in Freddie.”

In Venetië, waar The Master in première gaat, stond de jury, die danig onder de indruk was van The Master, in september voor een dilemma: de Gouden Leeuw voor beste film geven, of de prijzen voor beste regie en acteurs? Ook daar koos men voor de acteurs; de Gouden Leeuw gaat naar de tweede keus, Pièta van Kim Ki-duk.

De ochtend na de wereldpremière van The Master in Venetië lijkt Joaquin Phoenix (38) nog helemaal in zijn rol. „Jullie schuld”, wijst hij op het zweet dat van zijn voorhoofd gutst en van onder zijn oksel richting broekband sijpelt. Dat overmatige zweten komt door de zenuwen, krijgen we te horen, en dus niet van illegale genotsmiddelen die Phoenix gisteravond wellicht nuttigde. Het spektakel is er niet minder om: tijdens het interview draait Phoenix verkrampt in zijn stoel, springt op, ijsbeert, dreigt te vertrekken. Het is fuck voor en fucking na; soms bootst Phoenix treiterig malle accenten na of roept: „Ik heb deze vraag niet gehoord! Ik heb deze vraag niet gehoord!” Pas als regisseur Anderson een vaderlijke arm om zijn schouders slaat, komt de acteur wat tot rust.

Een Oscar voor Phoenix lijkt onwaarschijnlijk. Te impopulair, te moeilijk: je weet nooit wat hij op dat podium gaat doen. Hij is een telg uit een rondtrekkende hippieclan die lid was van de sekte Youth for Christ, de jonge broer van jeugdidool River Phoenix – Joaquin belde in 1993 huilend van paniek 911 terwijl River aan een overdosis stierf voor Johnny Depps Viper Club. Daarna maakte hij op eigen kracht carrière, met Oscarnominaties als slechte keizer in Gladiator (2000) en als Johnny Cash in Walk the Line (2005). Om Hollywood vervolgens te verbazen met een zenuwinzinking: Phoenix liet baard en vetrollen staan en maakte zichzelf belachelijk als mediazombie en mislukte rapper. Het bleek een hoax die in 2010 de nepdocumentaire I’m Still Here opleverde: een soms grappig, soms bijna gênant commentaar op de celebritycultuur.

Gekweld, dat is het woord dat bij Joaquin Phoenix past. Ook nu weer, als Freddie Quell. „Ik ben mezelf in elke rol”, zegt hij. „Juist ook in I’m Still Here. Ik wilde daar iets anders proberen, zonder planning, filmset en machine van zestig mensen. Weet je, omdat film zoveel geld kost, wordt film bijna fucking wetenschap. Je analyseert scènes, de emotionele curve, de impact. Ik wilde acteren met echt publiek dat helemaal onvoorspelbaar reageerde.”

Je rol beredeneren is het grootste gevaar voor elke acteur, vindt Phoenix. „Ik kan het zelf niet laten. Ondanks al mijn goede voornemens kwam ik bij The Master weer vol ideeën over mijn personage op de set. Dat bleek rotzooi, en Paul Thomas Anderson wist dat. Dus deden we het opnieuw, en nog eens, tot ik vergat wat mijn stupide brein had bedacht en gewoon reageerde op wat er gebeurde. Echt open staan is moeilijk, maar het is wel het enige wat werkt.”

Phoenix heeft moeite met acteurs die claimen dat ze „de kern van hun personage vonden na langdurige research”. „Enorme bullshit, weet je? Het is allemaal mazzel. Je kan vooraf van alles verzinnen, de magie gebeurt op de set. Jouw idee is niet meer dan een vaag, klein gevoel dat moet klikken met wat de anderen bedachten.”

Neem een scène waarin hij met Seymour Hoffman in belendende cellen wordt opgesloten. Terwijl Phoenix in demonische furie zijn cel sloopt, wordt de meester steeds rustiger: een verbluffende scène. Regisseur Anderson zegt dat hij juist die scène maar niet goed op papier kreeg. Phoenix: „We arriveerden allemaal met een eigen idee over wat er in die cel moest gebeuren, en zo pakte dat uit. We hebben de scène daarna nog vijftien maal gedaan, en het werd slechter en slechter. We wisten dat we de magie al hadden.”

Regisseur Anderson heeft zijn manieren om je te beïnvloeden, zegt Phoenix. „Het is nooit: zo doen we het aapje, dansen maar. Hij stuurde mij zomaar zestig songs, zonder uitleg. Een puzzel ... Al die liedjes gingen allemaal over mank lopen, ongelukken, gebroken tanden: over fysiek beschadigd zijn. Het duurde lang voordat ik het begreep, ik ben een trage leerling. Maar ik zag daarna de fysieke en mentale schade die Freddie Quell definieert.”

Paul Thomas Anderson is een echte acteursregisseur, vindt Phoenix: „Hij heeft zo’n grenzeloze verbeelding. Komen wij met voor de hand liggende ideeën, dan zegt hij: waarom laten we geen trein dwars door die huiskamer rijden? Fuck yeah! En dat werkt dan perfect. Het is opwindend en frustrerend, omdat ik me zo stom voel. Je gaat extra hard werken om met ideeën te komen die van zijn kaliber zijn. Vreselijk uitputtend.”

Misschien nu dan iets simpels? Slechterik in een superheldenfilm? Phoenix: „Ik vindt blockbusterfilms allerminst shit, het zou een saaie wereld worden met alleen maar kunstfilms. Mijn handicap is alleen dat ik hopeloos afhankelijk ben, een aandachtsjunkie. Als ik voor een groen scherm sta en me moet voorstellen uit welke hoek de draak aanvalt, ben ik verloren. Als ik niet eindeloos over mijn rol kan praten met de regisseur omdat die het te druk heeft met special effects, wordt het niks.”