Gratis kennis is mogelijk

Staat en markt kunnen er beide voor zorgen dat wetenschappelijke artikelen gratis worden, schrijven Aafke Beukema en Tim Verlaan.

Vrijdag 11 januari 2013 pleegde de 26-jarige internetactivist Aaron Swartz zelfmoord. Hij was hoofdverdachte in een zaak in de Verenigde Staten waar hij 35 jaar celstraf en een boete van een miljoen dollar voor had kunnen krijgen, omdat hij door zijn universiteit MIT werd verdacht van het illegaal downloaden van vier miljoen wetenschappelijke artikelen van de digitale bibliotheek JSTOR. Swartz’ dood en zijn kafkaëske gevecht met ‘het systeem’ zijn buitengewoon pijnlijk. Maar een gebeurtenis als deze is ook onvermijdelijk voor dit moment, waarop de ontwikkeling en verspreiding van academische kennis zich in een economische zeepbel bevindt.

Er is sinds de opkomst van gedigitaliseerde wetenschappelijke kennis een systeem ontstaan waarin de digitale beschikbaarheid van kennis gefinancierd is door universiteiten, maar de prijzen ervan worden bepaald door de markt. De zwakke plek van dit systeem – en dit is waar Swartz zich voor heeft ingezet – is dat het leunt op het ontoegankelijk maken van wetenschappelijke publicaties achter een ‘betaalmuur’.

Swartz pleitte ervoor dat die betaalmuur op de een of andere manier zou verdwijnen. Het was voor hem en zijn medestanders een principekwestie: kennis is voor iedereen. Swartz zal ongetwijfeld de geschiedenis aan zijn kant krijgen. Diplomatieke documenten, muziekopnames, games, films en software: uiteindelijk breekt informatie gewoon door alle barrières heen. We staan nu voor de vraag of we de staat of de markt het systeem verder laten uitwerken. Het kan allebei en beide systemen zullen hun voor- en nadelen hebben.

Het huidige systeem is vooral door de markt ontworpen. Digitale wetenschappelijke boeken en artikelen in tijdschriften zijn in handen van universitaire en commerciële uitgeverijen en digitale bibliotheken zoals JSTOR. De eventuele winst die universitaire uitgeverijen zoals Cambridge University Press en Oxford University Press maken, wordt geïnvesteerd in de universiteit waaraan ze gelieerd zijn. De winst die gewone commerciële uitgeverijen maken, gaat naar de directie of terug naar de samenleving via de beurs en investeringsfondsen. De productie van kennis wordt bekostigd door de universiteit. Auteurs van wetenschappelijke artikelen en redacties van wetenschappelijke tijdschriften worden meestal niet betaald. In sommige vakgebieden is het zelfs normaal dat auteurs geld betalen aan een uitgever om een artikel te publiceren. Die artikelen komen vervolgens terecht achter een betaalmuur: ze staan wel op internet, maar zijn alleen toegankelijk met een abonnement.

Sommige uitgeverijen hebben universiteiten de afgelopen decennia overgehaald om torenhoge abonnementskosten te betalen voor hoog aangeschreven internationale tijdschriften. Dit was mogelijk omdat de eigenaar van een tijdschrift per definitie een monopoliepositie heeft: er zijn nooit twee aanbieders van hetzelfde tijdschrift. Als er maar genoeg gegadigden zijn voor zo’n tijdschrift kan een uitgever zelf de prijs opdrijven. Dit geldt vooral voor kennis waarvoor ook buiten de universitaire wetenschap een markt is, zoals juridische kennis in de advocatuur en scheikundige kennis in de farmaceutische industrie. Het biochemische tijdschrift Tetrahedron Letters, dat wordt uitgegeven door de Brits-Nederlandse academische uitgever Reed Elsevier, kost zo’n 20 duizend euro per jaar en spant daarmee de kroon. Ook kunnen sommige abonnementen alleen in een bulk van honderden tijdschriften tegelijk gekocht worden, waardoor universiteiten ook betalen voor tijdschriften die ze helemaal niet nodig hebben. Dat dit op de korte termijn een buitengewoon slim verdienmodel is, blijkt uit de winstmarges van 30 tot 40 procent die Elsevier de afgelopen jaren behaalde. Wereldwijd klagen universiteiten over de hoge abonnementskosten, maar tot nu toe is er nog nergens serieuze actie ondernomen. Ook zijn er wel academici die zich druk maken om dit verschijnsel – dertienduizend wetenschappers hebben bijvoorbeeld afgesproken om niet meer voor Elsevier te werken, maar voor de meeste academici is er geen prikkel om niet meer in prestigieuze tijdschriften te publiceren.

Hoewel velen de natuurlijke reflex hebben om boos te worden op het bedrijf dat floreert dankzij een onwenselijke situatie, is het de onwenselijke situatie zelf waarop we boos zouden moeten zijn. Sterke bedrijven doen waar ze goed in zijn: geld verdienen. Daar komt bij dat JSTOR een non-profit organisatie is die zelf weer afspraken heeft gemaakt met de uitgeverijen om hun digitale archieven aan te bieden. Omdat het verdienmodel van uitgeverijen valt of staat bij de betaalmuur mag JSTOR natuurlijk niet zomaar die artikelen gratis op internet zetten. Met andere woorden: JSTOR houdt zich dus aan de regels van het systeem zoals het door de markt gecreëerd is.

Voor de toekomst van de wetenschappelijke uitgeverij zijn er twee scenario’s mogelijk. Als de overheid het systeem aan de markt overlaat zal het stelsel op een gegeven moment veranderen, zoals dat altijd gebeurt met economische zeepbellen. Als steeds meer mensen erin slagen om artikelen te rippen en gratis aan te bieden, wat Swartz van plan geweest lijkt te zijn, en als steeds meer wetenschappers hun publicaties op hun eigen website zetten, dan barst de tijdschriftenbubbel. Wanneer artikelen ook gratis beschikbaar zijn, hebben universiteiten heus geen zin meer er zo veel voor te blijven betalen. Na de bubbel worden de winstmarges op wetenschap misschien kleiner, maar digitale publicaties zullen ook na de bubbel nooit kosteloos geproduceerd kunnen worden. Ten eerste omdat er kosten verbonden zijn aan de organisatie van uitgeverijen, maar vooral ook omdat het bewerken van gegevens zodat die ook in computersystemen in de toekomst toegankelijk blijven geld kost. Als de betaalmuur verdwijnt, zullen uitgevers een nieuw model zoeken om winst te kunnen maken, bijvoorbeeld met advertentie-inkomsten. Hoewel de markt in de invulling van een dergelijk scenario bepaalt, kunnen overheden wel een sterk sturende rol spelen met wetgeving rond auteursrecht en mededinging.

De andere optie is dat de staat ingrijpt op een manier die de uitgeversmarkt buiten spel zet. Overheden zouden permanent kunnen gaan investeren in een digitale staatsbibliotheek, vergelijkbaar met de Koninklijke Bibliotheek en de Openbare Bibliotheek, om op die manier tijdschriftartikelen gratis toegankelijk te maken. Tijdschriften kunnen dan blijven bestaan, want die worden nu toch al gratis gerund, maar voor uitgevers zou dan geen rol meer zijn. Wellicht is zo’n digitale staatsbibliotheek op de lange termijn inefficiënter dan een marktgestuurd systeem, maar op dit moment is het curatorschap van de markt door die extreme winstmarges ook onnodig duur. Bovendien zijn nationale bibliotheken wereldwijd nu al meer dan twee eeuwen in staat om papier te beheren. Waarom zou de overheid dan ook niet curator van bits kunnen worden?

Het leuke is dat het dus allebei kan: markt of staat. Wij kunnen zelf aan de tekentafel gaan zitten en kiezen.

Aafke Beukema en Tim Verlaan zijn promovendi Geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. Dit artikel is een bewerkte versie van een bijdrage aan de bundel ‘Snelweg naar Rome’, die dit voorjaar verschijnt bij uitgeverij Bert Bakker.

    • Tim Verlaan
    • Aafke Beukema