Drie stellingen over familiebedrijven

Den Haag, 17-04-2012. Vader en zoon Gül voor hun snack-zaak. Foto Leo van Velzen NrcHb.

De aanleiding

Als er alleen maar familiebedrijven waren geweest, waren we misschien wel niet in de huidige economische crisis beland, concludeerde Matthijs van Nieuwkerk voorzichtig in De Wereld Draait Door van 15 januari. Ter bevordering van het Nederlandse familiebedrijf werd die middag de Familiebedrijven Award uitgereikt. Winnaar Benno Leeser en juryvoorzitter John Fentener van Vlissingen zaten bij Van Nieuwkerk aan tafel. Hun gesprek was een lofzang op familiebedrijven. Fentener van Vlissingen haalde een aantal stellingen aan: „De meerderheid van de werknemers werkt bij een familiebedrijf. De meerderheid van wat wij als BV Nederland verdienen komt ook van familiebedrijven”, zei hij. En even later: „Maar wat een familiebedrijf heeft, dat is het karakter, die werkt voor de volgende generatie. Dus die werkt voor de lange termijn. Die is ook zeer kostenbewust.” Lezer Wim Pols vroeg zich af of de genoemde beweringen wel kloppen. Wij controleren hier daarom de drie uitspraken.

En, klopt het?

De beweringen staan in min of meer dezelfde bewoordingen op de site van de Familiebedrijven Award. Desgevraagd laat Fentener van Vlissingen weten dat hij zich baseert op onderzoek van de Nyenrode Business Universiteit.

Er is geen centrale plek waar familiebedrijven als zodanig geregistreerd staan. De cijfers die wel over familiebedrijven voorhanden zijn, zijn dus noodgedwongen gebaseerd op schattingen. Volgens het rapport Family business in the Netherlands, characteristics and success factors van Roberto Flören – de enige hoogleraar Familiebedrijven van Nederland – en Lorraine Uhlaner van Nyenrode, is 70 procent van de bedrijven in Nederland een familiebedrijf. Dat cijfer komt in veel andere publicaties terug. Maar, een paar jaar daarvoor was een aandeel van 55 procent familiebedrijven nog gangbaar. Een groot verschil. De 70 procent lijkt meer in de buurt van de waarheid te komen. In het onderzoek uit 2010 is voor het eerst een Europese definitie gebruikt en er is een grote steekproef genomen. „Eerdere cijfers waren schattingen gebaseerd op deelonderzoeken met kleinere steekproeven”, verklaart Flören het verschil. „We hadden het minst goed inzicht in de kleinste familiebedrijven, maar daar zijn er juist heel veel van. Een klein foutje in cijfers daarover zorgde voor verkeerde schattingen voor het geheel.”

Twee van de beweringen van Fentener van Vlissingen komen terug in het onderzoek uit 2010: 49 procent van alle werkenden in Nederland is in dienst van een familiebedrijf. Bijna de helft dus, net niet de meerderheid. En 53 procent van het bruto binnenlands product – alles wat we in Nederland bij elkaar verdienen – komt voor rekening van familiebedrijven, dat is inderdaad de meerderheid. Deze cijfers vloeien voort uit de schatting dat 70 procent van de Nederlandse bedrijven een familiebedrijf is.

Dan de laatste bewering, werken familiebedrijven voor de lange termijn en zijn ze zeer kostenbewust? Kostenbewustzijn en langetermijndenken zijn lastig te kwantificeren. Maar impliciet wordt hier gezegd dat ze in ieder geval meer kostenbewust zijn en op langere termijn denken dan niet-familiebedrijven. Dat wordt door vrijwel al het over familiebedrijven van Flören en zijn collega’s bevestigd – het onderzoek uit 2010, maar ook uit Met het familiebedrijf de crisis door! en Cijfers en feiten van het familiebedrijf. Familiebedrijven bestaan bijvoorbeeld veelal langer dan andere bedrijven. Ook zijn ze bereid op het eigen vermogen in te teren als dat nodig is, winst maken is voor familiebedrijven minder belangrijk dan voor niet-familiebedrijven. Ze gaan minder snel over tot het ontslaan van personeel en ook de top van het bedrijf wisselt minder vaak, wat de continuïteit ten goede komt. Bonussen zijn amper aan de orde – waarom een bonus uitkeren met geld dat toch al van jou is? Opmerkelijk is het daarom dat in de grootschalige enquête uit 2010, ‘slechts’ 91 procent van de familiebedrijven aangaf dat ze continuïteit van groot belang vonden, tegen 98 procent van de niet-familiebedrijven. „Ja, dat was een hele rare onderzoekuitkomst. Het strookt ook niet met wat ik verder tegenkom”, zegt Flören. Deze uitkomst geeft dus een ietwat vertekend beeld, wat vaker voorkomt wanneer als onderzoeksmethode zelfrapportage is gekozen.

Conclusie

Het aantal familiebedrijven in Nederland wordt niet centraal bijgehouden. Wel wordt er onderzoek naar gedaan, onder meer door hoogleraar Roberto Flören van Nyenrode. Er zijn goede schattingen van het aantal familiebedrijven, waar andere cijfers over familiebedrijven van afgeleid zijn. De eerste stelling van Fentener van Vlissingen, „de meerderheid van de werknemers werkt bij een familiebedrijf”, moeten we als onwaar beoordelen. Naar schatting werkt namelijk 49 procent van de werkenden bij een familiebedrijf, Fentener van Vlissingen zat er dus net naast. De tweede stelling: „de meerderheid van wat wij als BV Nederland verdienen komt van familiebedrijven”, is waar, 53 procent van het bbp komt van familiebedrijven. Ook de derde stelling: een familiebedrijf werkt voor de langetermijn en is zeer kostenbewust, beoordelen wij op basis van vrijwel al het onderzoek over familiebedrijven als waar.