De Sahara kent geen grenzen, ook niet voor extremisten

Al-Qaeda-in-de-Islamitische-Maghreb is een van de extremistengroepen die door de Sahara zwerven. Een Algerijnse organisatie, de Salafistische Groep voor Prediking en Geweld, nam in 2006 de merknaam Al-Qaeda aan om aanhang te trekken. Ze is in facties onderverdeeld die zich bezighouden met lucratieve criminaliteit als smokkel en ontvoeringen.

Frankrijk vecht in Mali niet tegen Malinezen, Algerijnen, Nigerezen, Mauretaniërs of Libiërs, maar tegen ‘Saharanen’, inwoners van de Sahara, voor wie de door Europese koloniale machten getrokken grenzen niets betekenen. Ze hebben verwanten in verschillende landen en identificeren zich niet met één natiestaat. Voor zover ze in dit politieke idee zijn geïnteresseerd streven groepen naar een eigen nationale staat, in plaats van de huidige, zoals Mali.

Het doel van de Franse interventie is de „totale herovering” van Noord-Mali op de islamitische extremisten, zei de Franse minister van Defensie, Jean-Yves Le Drian, deze week. Maar het idee dat de strijd zich beperkt tot Noord-Mali is onzin, zegt Baz Lecocq, historicus aan de Universiteit van Gent, gespecialiseerd in de Sahara en de Sahel. „Het conflict in Mali hangt volledig samen met de situatie in Libië, Algerije, Mauretanië, Niger, Tsjaad en Noord-Nigeria. Het nomadische Toearegvolk, de Arabieren en ook de extremisten reizen constant rond in dit enorme woestijngebied.”

Het spreekt boekdelen dat de extremisten die vorige week in Algerije honderden medewerkers van een gascomplex gijzelden, uit veel verschillende landen komen: er waren Tunesiërs bij, Algerijnen, Egyptenaren en Malinezen. Vlak voor de gijzelingsactie zaten de mannen van Mokhtar Belmokhtar, de Algerijnse leider van de groep , nog in Noord-Mali, zegt Lecocq. „Ze zijn daar in een paar dagen heen gereden, waarschijnlijk door Niger en Libië, waar sinds de val van Moammar Gaddafi geen centraal gezag is en waar in het zuiden nog milities vechten die op stambasis zijn georganiseerd.”

Familie- en stamverbanden bieden bescherming en scheppen orde in de woestijn. De verwanten leven verspreid over de Sahara. Door droogte en globalisering is dat toegenomen, zegt Lecocq. „Op zoek naar werk of vruchtbare grond voor hun vee zijn mensen uitgeweken. Bovendien hebben auto’s en vrachtwagens de mobiliteit vergroot.”

Ook de extremisten kunnen terugvallen op een netwerk van clans en families. Ze bezegelen banden met lokale stammen door dochters van clanleiders te trouwen. Belmokhtar zou vier vrouwen hebben bij verschillende Arabische en Toeareggemeenschappen.

De Sahara is ruig en onherbergzaam, en overleven is er moeilijk. Onder anderen de Toeareg verdienden van oudsher hun geld in de karavaanhandel. Lecocq: „In feite bestaat die handel nog steeds, alleen zijn de kamelen vervangen door Toyota Landcruisers, en zout, goud, en slaven door sigaretten, drugs, wapens en migranten.” Vooral de smokkel van cocaïne uit Latijns-Amerika naar Europa is sterk gegroeid.

Aangenomen wordt dat extremistische groepen de smokkelroutes controleren. Maar onderzoek daarnaar is moeilijk in dit gebied. „In sommige landen, zoals Niger, Guinee en Guinee-Bissau is het leger ook direct betrokken bij de drugssmokkel”, zegt Lecocq. „De coup vorig jaar in Guinee-Bissau was zelfs een direct gevolg van een machtsstrijd tussen eenheden over de drugshandel.”

Lucratief zijn ook ontvoeringen. De laatste tien jaar heeft Al-Qaeda-in-de-Islamitische-Maghreb zo’n vijftig buitenlanders ontvoerd. Lecocq: „In 2003 werd gemiddeld ongeveer 4,5 miljoen euro per gijzelaar betaald, in 2009 was dat opgelopen tot 5,5 à 6 miljoen. Bij elkaar zo’n 250 miljoen. Daar kun je een hoop wapens van kopen. Dus wie financiert de jihad in de Sahara? Europa.”

    • Toon Beemsterboer