De jacht op de beste

Op papier lijkt iedereen op elkaar. Pas tijdens het sollicitatiegesprek blijkt wie de topkandidaten zijn. „Je moet iets geks hebben.”

Een aardig cv, vindt Bart Jan van ’t Hoff. Aardig, maar niet veel meer dan dat. Gymnasium? Check. Studie economie? Check. Bestuurservaring, stages, buitenland? Check, check, check. Niets mis mee, en toch, hij mist iets. Iets geks, een twist, dat ene onderscheidende puntje dat een ander niet op zijn cv heeft staan. „Hij heeft geen bergen geklommen of een bijbaan als bouwvakker gehad, of zoiets”, zegt Van ’t Hoff. „Heel jammer.”

Een gesprek kan veel goed maken.

Van ’t Hoff (29) is consultant bij Ebbinge & Company, een werving- en selectiebureau in Amsterdam. Ebbinge werkt voor multinationals, strategieconsultants, banken en advocatenkantoren op de Zuidas. Hun ‘Ebbinge Campus’ selecteert starters en krijgt zo’n honderdvijftig kandidaten per maand te beoordelen: studenten of paswerkenden die willen worden opgenomen in de database, om zo aan de top van het bedrijfsleven te worden gekoppeld.

Vandaag dus Wouter (25) – laten we hem zo maar even noemen – die bij een multinational wil werken. Terwijl hij in een kamer verderop een reeks intelligentietesten voor zijn kiezen krijgt, spit Van ’t Hoff zijn gegevens door. Hij kijkt lang naar zijn middelbareschoolcijfers. „Die zeggen veel over iemand. Het is appels met appels vergelijken: iedereen heeft hetzelfde examen gemaakt.” Wouters lijst? Van ’t Hoff gaat er met zijn vinger langs. „Aardig”: zevens en achten (de bètavakken), een paar zessen en één vijf (de talen). „Niets uitzonderlijks.”

„Op papier begint iedereen meer en meer op elkaar te lijken”, zegt Van ’t Hoff. „Er wordt korter gestudeerd. Er is minder tijd voor nevenactiviteiten of rare uitspattingen – het is een stuk lastiger je te onderscheiden.”

Zeker, Wouter heeft op hoog niveau gesport („Dat toont gedrevenheid”), een studentenbestuur gedaan („Leiderschap”) en een bedrijf opgezet („Creativiteit en durf”). Maar dat is niet genoeg. Zijn testuitslagen komen binnen: Wouter scoort iets bovengemiddeld voor een academicus. „Prima”, zegt Van ’t Hoff.

Werkgevers dicteren de huidige arbeidsmarkt in Nederland: er zijn meer werkzoekenden dan vacatures. Dat is een luxepositie voor de werkgever, maar brengt ook een probleem met zich mee: hoe kies je uit dat enorme aanbod nog de goede kandidaten? Het zwaartepunt is verschoven van cv-selectie naar gesprekken, zegt Van ’t Hoff.

Hij gaat Wouter, ruim een kop groter, voor door de gangen van Ebbinge. Hun leren schoenen ruisen op het tapijt. Ze nemen tegenover elkaar plaats in een gespreksruimte. Het raam biedt uitzicht op een besneeuwde tuin, het behang is een reusachtige foto van een weg, als een tunnel overwoekerd door groene bomen. Een geurdispenser verspreidt een zacht aroma, speciaal voor Ebbinge ontworpen. Het moet ontspannen en tegelijk gefocust maken.

„Alsjeblieft.” Wouters hand trilt als hij het glas water aanpakt dat Van ’t Hoff hem aanreikt. „Hierna wil ik dat jij vindt dat je een goed gesprek hebt gehad. Of je nu wel of niet wordt aangenomen. Dat ik de echte Wouter heb gezien.” Wouter knikt, neemt een slok. „Ontspan maar, hoor.”

Het is een mythe dat beslissingen al boven een cv genomen worden, zegt Van ’t Hoff, of dat de uitkomst bij de eerste handdruk al vaststaat. Een gesprek kan alles veranderen. „De psychologie is de afgelopen jaren belangijker geworden. Cv’s doen niet meer voor elkaar onder en daarom is het belangrijk om de kandidaten écht te leren kennen. Zo filter je de top eruit.” Cijfers of ervaring vertellen geen verhaal.

„Vrienden zien me als een leider”, vertelt Wouter. Hij praat zacht. „Heb je daar een voorbeeld van?”, vraagt Van ’t Hoff. Wouter bijt op zijn nagel, diep in gedachten. Hij kijkt naar buiten, naar de sneeuw. „Shit, ik wil geen standaardantwoord geven.” Hij schenkt zijn glas voor de tweede keer bij. „Ok, ok.” Hij ademt in. „Als ik met mijn team in de kroeg sta en we moeten spelen de volgende dag, dan ben ik degene die zegt: we gaan naar huis.”

Je bent een voorloper?

„Ik ben een initiatiefnemer, ja.”

Waarom ben je dan economie gaan studeren?

„Het is breed, kun je alles mee.”

Het is ook het uitstellen van een keuze, niet?

„Daar heb ik soms moeite mee, ja.”

Heb je dat van een van je ouders?

„Mijn moeder, denk ik.”

Beperkt het je?

„Ik kies er verstandiger door.”

‘Ik zou je kunnen lekschieten”, zegt Van ’t Hoff tegen Wouter, aan het einde van het gesprek. Hij glimlacht. „Maar dat ga ik niet doen. Ik ga je helpen. Je voorbeelden, daar moet je echt beter over nadenken. Dit gaat je bij elke sollicitatie opbreken.”

Wouter knikt, zijn lippen op elkaar geperst. Hij schenkt de waterfles leeg in zijn glas.

„Ik zal je eerlijk zeggen”, vervolgt Van ’t Hoff, „ik ben niet overtuigd. Je bent slim genoeg, zeker – maar ik weet niet of je erboven uit steekt.”

Wouter knikt. Het gesprek heeft een uur geduurd. Ze hebben veel besproken: zijn sterke punten, zijn onzekerheden, de band met zijn ouders, zijn vrienden, zijn toekomstbeeld.

„Weet je wat me aan het twijfelen bracht? Dat zijn niet je cijfers of je cv. Het is je lichaamstaal. Je wendt je af als je nadenkt.”

Wouter kijkt verbaasd en brengt zijn hand naar zijn mond. „En wat dacht je van nagelbijten?” De hand schiet terug in zijn schoot.

„Ik moet er nog even over nadenken. Je hoort van me.” Ze schudden elkaar de hand en Van ’t Hoff laat hem uit.

Wouter is goed genoeg voor heel veel werkgevers, denkt Van ’t Hoff, maar de echte top gaat hij niet halen. „Waar het vroeger een 7 was, is een 8 nu de standaard. Op papier zou je denken: hij is goed. En hij is ook prima. Maar hij mist het randje, hij mist authenticiteit – een flat character, zou Hemingway zeggen. Je moet nu echt iets opvallends, iets geks hebben om boven dat maaiveld uit te steken – en dat heeft deze jongen nu nog niet.”

Later die middag belt Van ’t Hoff hem op met de uitslag. Wouter is het niet geworden.

    • Thomas Rueb