50 jaar later is de Frans-Duitse 'as' vastgelopen

Het Frans-Duitse vriendschapsverdrag bestaat 50 jaar. Maar dit is geen reden voor feest in het hart van Europa, vindt François Heisbourg. De Frans-Duitse ‘as’ mist een sfeer van samenzwering.

De officiële reden mag een voorzichtig monetair beleid zijn geweest. Maar het feit dat de Bundesbank, vlak voor de verjaardag van het verdrag over de naoorlogse verzoening tussen Frankrijk en Duitsland, vorige week aankondigde haar goud uit de Banque de France terug te halen, was een schrijnend teken van de gehavende verhouding tussen de twee grootste mogendheden in het hart van de Europese Unie.

Van de crisis in de eurozone tot het ingrijpen in Libië en Mali en de mislukte fusie van EADS en BAE Systems, zijn de fricties en spanningen tussen Parijs en Berlijn voelbaar. De legendarische Frans-Duitse ‘as’ lijkt de Europese integratie niet meer aan te drijven.

Het is deze week een wereld van verschil met vijftig jaar geleden, toen Charles de Gaulle en Konrad Adenauer het Elyséeverdrag ondertekenden. Dat was niet zomaar een verdrag tussen regeringen. Zij schiepen de voorwaarden voor de uitoefening van een gezamenlijke leiding over de vorming van een ‘steeds hechtere unie’ in Europa. Ook hoopten ze de basis te leggen voor een gemeenschappelijke strategische – en niet alleen economische – bestemming. Het bondgenootschap is weliswaar niet uiteengevallen, maar die hooggestemde en verheven aspiraties uit het begin lijken allang vervlogen.

Wat is er dan misgegaan en wat zal er nu gebeuren? Eén ambitie was van begin af aan onrealistisch. Onder Amerikaanse druk ratificeerde de Bundestag het verdrag met woorden die elk uitzicht benamen op vervulling van de strategische doelstellingen. Het is dan ook niet verbazend dat de oorlog in Libië bijvoorbeeld geen Frans-Duitse onderneming was. Het vergt tijd en geduld om een ‘gemeenschappelijke strategische cultuur’ op te bouwen.

Anderzijds is de poging om gezamenlijk vorm te geven aan de Europese integratie grotendeels geslaagd en zijn de uitkomsten daarvan institutioneel ingebed. De subsidiariteit in Duitse stijl, met een overdracht van bevoegdheden aan het laagst mogelijke niveau, bestaat naast de technocratie in Franse stijl. Dit succes werd niet gehinderd maar vergemakkelijkt door de verschillende visies van Adenauer en De Gaulle op Europa: voor de eerste een federaal geheel, voor de laatste een verzameling van nationale staten. Zodra zij of hun opvolgers eenmaal hadden afgesproken wat ze zouden doen, volgden de andere landen. Maar dit proces heeft zijn stuwkracht verloren door de verdere EU-uitbreiding van het blok, te beginnen met Groot-Brittannië, en de opkomst van generaties leiders zonder de historische bagage van de grondleggers.

Nog belangrijker is dat de bereidheid van Berlijn en Parijs om over hun geschillen heen te stappen – de verplichting die aan het verdrag ten grondslag lag – niet meer bestaat. De aanvankelijke taakverdeling tussen de Franse politieke en strategische macht en de Duitse economische en monetaire kracht eindigde met de val van het IJzeren Gordijn. Een herenigd Duitsland herontdekte zijn nationale belangen, die niet meer systematisch hoefden te worden ingepast in een Europees kader waarvoor Franse instemming nodig was.

Het slinkende nut van Frankrijk in Duitse ogen verminderde de prikkel om samen plannen te maken. Daardoor verdween weer de samenzwering die kenmerkend was voor de verhoudingen in de jaren zeventig en tachtig onder de presidenten Valéry Giscard d’Estaing en François Mitterrand en de kanseliers Helmut Schmidt en Helmut Kohl. Als betrokkene bij de Frans-Duitse veiligheidsdialoog in de afgelopen dertig jaar ben ik diep getroffen door dit verlies van vertrouwelijkheid.

Maar ook al is geluk niet meer mogelijk, een scheiding is onwaarschijnlijk, en wel om platvloerse redenen. Het zou duur zijn om uit elkaar te gaan en het kan maar beter worden vermeden vanwege de ‘kinderen’: het Europese project. Als de exclusiviteit van de relatie wordt losgelaten, zouden beide partners noodgedwongen voor elk initiatief ad hoc-coalities moeten aangaan in een context van economische recessie en politieke verbittering. Beide landen zouden een enorme prijs betalen als de euro en de EU ineen zouden storten.

Maar de echte fundamentele ingreep zou van de derde grote speler in de EU kunnen komen: Groot-Brittannië. Mocht dit land uit de EU treden, dan zou Frankrijk vastlopen in een toestand waarin een uitgesproken Duitse cultuur en veiligheidspolitiek de overhand krijgen. Dat zou voor de Fransen onacceptabel zijn, omdat ze net als de Britten hun eigen visie op internationale veiligheid en het gebruik van geweld hebben. Frankrijk kan dan in de verleiding komen om het Duitse centrum tegenwicht te bieden en ter compensatie systematisch coalities met andere EU-leden aan te gaan. Daarmee zou de geest van het Elyséeverdrag onherroepelijk verloren gaan.

François Heisbourg is bijzonder adviseur van de Parijse denktank Fondation pour la Recherche Stratégique.