Waarom ik vandaag wél ga stemmen

Radicale politici in Israël zien hun aanhang groeien, want niemand lijkt nog in vrede te geloven. Veel Israëli’s gaan vandaag niet stemmen. Voor de Amsterdamse filmmaker Nirit Peled juist reden om dat wel te doen.

Israelis celebrate Israel's 64th Independence Day on the beach in Tel Aviv. April 26, 2012. photo by Matanya Tausig/FLASH90

Ja! Ik heb net de plek van mijn stemlokaal gevonden op de website van de Israëlische regering. Mijn paspoort is nog steeds blauw en ja, ik ga stemmen, voor het eerst in twintig jaar. Ik hoefde alleen maar het online formulier in te vullen en bingo, het adres: precies in het midden van Tel Aviv, vlakbij mijn favoriete coffeeshop.

Pas maar op, broeders en zusters van Israël, ik stap in Nederland op het vliegtuig en kom wat wijsheid toevoegen aan die rare soep van premier Netanyahu die jullie al veel te lang hebben gegeten. Maar waarom zou ik? Een ticket kost 360 euro – veel geld.

Ik ben uit Israël weggegaan om afstand te nemen van de problemen die ik had met de ‘bagage’ van het Israëli – en joods – zijn. Ik ging studeren aan de Rietveld Academie in Amsterdam, om uiteindelijk filmmaker te worden. Nu trekt de politieke en sociale situatie van mijn land me langzaam weer terug naar binnen.

Als gevolg van te veel oorlog, angst en eindeloze discussies weten politici dat ze eruit liggen als ze het vredesproces met de Palestijnen noemen. Zó ver is het al gekomen. De mensen zijn cynisch en onthecht. De Israëlische politiek is op een dood punt aangeland. In de Israëlische krant Haaretz las ik dat er een zeer lage opkomst wordt verwacht. Mijn stem zal verschil maken!

De reacties op mijn besluit komen razendsnel.

Eerst mijn moeder. Ik moet haar bellen voor mijn Israëlische identiteitsnummer. Met dit nummer kan ik mezelf online terugvinden. „O Nirit, waarom?”, zegt mijn moeder ietwat geïrriteerd. „Je woont in Amsterdam, je hebt twee leuke kinderen, een baan. Waarom zou je je druk maken? Je stem zal niets veranderen.”

Mijn vader belt, het telefoontje gaat zo: „Ik heb gehoord dat je komt! Neem je de kinderen mee? Nee? Ga je vliegen om alleen maar te stemmen? O wauw, dan moet je wel heel veel van je land houden. Je bent mijn patriottische dochter!”

Mijn vader woont in een nederzetting op de Westelijke Jordaanoever, niet ver van de luchthaven Ben-Gurion. Lang geleden hebben we afgesproken nooit meer over politiek te zullen discussiëren. Hij is een aanhanger van de nieuwe, snelst groeiende, rechtse partij van Israël, Joods Huis. Voor mij staat die partij voor een angstaanjagende vorm van nationalisme, vermengd met religie en populisme. Ik heb geen idee hoe die Naftali Bennett (de partijleider, red.) al die niet-religieuze mensen zo ver heeft weten te krijgen dat ze een broeder in hem zien.

Hij vraagt me of hij me moet komen ophalen van het vliegveld. Ik herinner hem er op plagerige toon aan dat hij niet in Israël woont.

Ik bel Amir, mijn beste vriend, een succesvolle muzikant in Tel Aviv. Het is zijn bank, waarop ik zal gaan slapen. „Zo, je komt dus stemmen. Je bent al veel te lang weg. Het is hopeloos.” Hij sommeert me om alle kranten buiten de deur te laten. Welkom in Tel Aviv, alias the bubble.

„Waar ga jij op stemmen”, vraagt zijn vriendin. Ik weet het nog niet en antwoord: „Schaam je, dat is een intieme vraag.” Zij antwoordt: „In het Israëlische woordenboek komt het woord intimiteit niet voor.” Ja, zo zijn wij Israëli’s: vol sarcasme en zelfreflectie. Ik mis het.

Dan spreek ik Naomi, een vriendin van vroeger met wie ik al een tijdje geen contact meer heb gehad. Ik heb het gevoel dat ze nog steeds boos op me is, omdat ik ben weggegaan. Online zie ik dat ze steeds actiever is geworden in het sociale en politieke protest in Israël.

Voor Naomi bestaat er geen middenweg. Als je niet aan onze kant staat, ben je tegen ons. Ze zal Balad stemmen: een anti-zionistische partij, die zich sterk maakt voor een seculiere tweenatiestaat en democratie voor álle burgers, ongeacht etnische achtergrond.

Ze kijkt neer op mijn opwinding, op mijn geloof dat ik hier mijn plicht ga uitoefenen. Dat is niet genoeg voor haar, we moeten ieder huis redden, iedere nederzetting vernietigen, voor iedere dakloze vechten. „Waar was je toen ze onlangs een Arabisch dorp verwoestten? Ik lag op de grond om de tractoren tegen te houden”, vertelt ze. „Maar kom, ik mis je. Ik kook in een café in Jaffa. Ik zal je iets lekkers te eten geven.”

Ik hoor mijn zusje door de telefoon een sprong maken: „Ja, feestje!” Ik mis haar. „Ik heb geen idee wat ik moet stemmen”, zegt ze. „Je mag mijn stem hebben.” Zo moet het, denk ik: stemmen verzamelen! Ja, geef me je stem maar.

Dan zegt ze: „Je moet het stembiljet wel komen ophalen in het gebombardeerde zuiden, zusje, want ik studeer nu in Beër Sjeva. Kom zelf maar kijken naar de vele boodschappen van liefde en vrede uit Gaza. Dan zul je begrijpen waarom het woord vrede op dit moment in geen enkele campagne wordt gebezigd.”

Dat is waar ik zo gek van word: vrede is nu een dood woord.

Een beetje verder naar het zuiden woont mijn jeugdvriend Eyal in een kibboets, op drie kilometer van Gaza-Stad. „Stemmen? O, wanneer zijn de verkiezingen”, vraagt hij.

Ik vraag hem waarom hij niet stemt; de oorlog speelt zich af voor zijn raam. „Het is een verloren zaak”, zegt hij. „Maar ik houd van je, dus ik kom naar Tel Aviv. Dan gaan we eten, op het strand zitten en over het leven praten. Wil je mijn stem ook hebben?”

De kunstenaar in mij begint zich een grote performance voor te stellen, waarin ik al die verloren stemmen verzamel en een grote invloed zal hebben op de Israëlische politiek en samenleving. En nee, dit gaat niet per se over links of rechts. Het gaat over het doorbreken van de impasse in de Israëlische politiek, het veranderen van een klimaat van angst en radicalisme.

Verstandige mensen in Israël zijn stil geworden en voelen zich verloren. In een klimaat van angst en radicalisme is het natuurlijke evenwicht verdwenen. Links is nog nooit zo zwak geweest, het is monddood. En rechts was nog nooit zo extreem. Nieuwe politieke partijen komen en gaan. Nieuwe gezichten doken op in recente, meestal instabiele regeringen, die steunden op verdachte en opportunistische coalities met extremisten.

In 2011 gingen nog één miljoen mensen in Tel Aviv de straat op. Iedereen leek om sociale verandering te vragen. Behalve Netanyahu: die hield zijn mond. Hij hoefde niets te doen, hij was aan de winnende hand. Hij hoefde alleen maar naar de Iraanse bom te wijzen, en naar de raketten van Hamas.

Angst, de beste manier om iedereen thuis te laten blijven – of op je te laten stemmen. Alleen onze ‘grote oude man uit de politiek’, president Shimon Peres, praat nog met de kiezer, met mij, en vraagt iedereen tijdens zijn campagne vier vrienden uit te nodigen om te gaan stemmen. Hij weet dat dat het geheim is.

Heeft Israël zijn eigen Arabische Lente nodig? Als de Arabieren het kunnen, dan wij ook. Maar wij hebben natuurlijk al een democratie. Die moeten we alleen nog tot het uiterste benutten. We moeten onze stem laten horen – voordat we te bang en afgestompt worden door de oorlog.

De enige die meteen vol enthousiasme reageert op mijn plan om te gaan stemmen is mijn online vriend Fridman. Met hem discussieer ik dagelijks in besloten online groepen van joden en moslims, Israëli’s en Palestijnen. Hij drumt in Israëlische punk- en hiphopbands. Hij is warm en direct.

Ook hij is de afgelopen jaren rechts geworden – en religieus. Hij biedt me aan met hem te gaan bidden in Hebron voordat ik ga stemmen, om in contact te komen met mijn wortels. „Kom, zorg ervoor dat al die antisemitische Europeanen je niet laten vergeten wie je bent.”

In Europa heeft iedereen – vrienden, journalisten, politici, activisten – kritiek op mijn land. Ze kiezen allemaal gemakkelijk partij. Ze weigeren de complexiteit van mijn land te onderkennen. Ik hoor oproepen tot actie, boycots, sancties. De hele wereld is druk met dit kleine plekje dat ik thuis noem.

Maar het is ónze taak het op te lossen: wij met het blauwe paspoort en het stemrecht. En niemand anders.

Nirit Peled (1973, Israël) is filmmaker en gastdocent op de Rietveld Academie. Ze schreef dit stuk in samenwerking met Simon van Melick.