Mysterie van zoete aardappel opgelost

De Polynesiërs komen oorspronkelijk uit Azië, maar aten al Zuid-Amerikaanse aardappelen vóór Europa Amerika ontdekte. Hoe kan dat?

Geen ander knolgewas houdt onderzoekers al zo lang bezig als de zoete aardappel (Ipomoea batatas). Het was dan ook een mysterie: de knol komt uit tropisch Zuid-Amerika, terwijl archeologisch onderzoek laat zien dat hij al vóór de komst van Europeanen het hoofdbestanddeel vormde van het dieet van Polynesiërs. Die komen, zo blijkt uit hun genoom, uit Azië. Ook hun talen wijzen op zo’n westelijke oorsprong, maar hun woord voor zoete aardappel (kumara) lijkt juist sterk op cumal – en zo heet het knolgewas in het Quechua, een indiaanse taal die wordt gesproken in Peru en Ecuador.

Achtereenvolgens hebben archeologen, antropologen en oceanografen zich gebogen over dit raadsel. Met hulp van Franse plantgenetici lijkt het mysterie nu opgelost.

In 2007 toonde de Canadese oceanograaf Álvaro Montenegro in de Journal of Archeological Science aan dat zaad en knollen van de zoete aardappel heel goed van Zuid- en Midden-Amerika naar Polynesië kunnen zijn gedreven. Met een computermodel liet hij op 160 plaatsen langs de Stille Oceaankust, van Mexico tot Chili, zaaddoosjes virtueel te water. Die simulatie wees uit dat ze kunnen aanspoelen of landen in zeven eilandengroepen van Oceanië. Maar dat dobberen moet vier maanden hebben geduurd en zelfs een kokosnoot overleeft niet zolang in zout water. Montenegro vond het dan ook waarschijnlijker dat met knollen geladen vaartuigen – zeewaardige vlotten of kano’s met zeilen – uit de koers raakten, afdreven en uiteindelijk in Polynesië belandden. Die oversteek zou drie maanden hebben geduurd.

Onderhielden de zeevarende Polynesiërs in prehistorische tijden contacten met Zuid-Amerika? Ja, zeiden de Amerikaanse antropoloog Scott M. Fitzpatrick en de Canadese archeoloog Richard Callaghan in 2008. De twee ontwierpen een computermodel waarmee ze zeiltochten simuleerden van Polynesië naar Amerika en terug. Zeilen vanaf Samoa en Tonga was relatief succesvol in de maanden januari-februari-maart. Als er in die periode werd gevaren eindigde de tocht in 40 procent van de gevallen met een landing aan de kust van Zuid-Amerika. Boten die vertrokken van de Tuamotu-eilanden haalden in de maanden januari en december in respectievelijk 15 en 23 procent van de gevallen de Amerikaanse kust. Het kon. En de terugtocht was makkelijker, vanwege wind en stroming.

Nu hebben ook plantgenetici zich gebogen over dit klassieke raadsel. Caroline Roullier en drie collega’s van de universiteit van Montpellier beschrijven hun bevindingen deze week in de Proceedings of the National Academy of Sciences. Ze laten aan de hand van analyses van oud plantmateriaal uit Europese herbaria en van grote steekproeven van hedendaagse knollen uit Polynesië en Zuid-Amerika zien dat de zoete aardappel zich in drie golven en langs drie routes over de Stille Oceaan heeft verspreid.

De eerste golf moet zijn aangekomen in Polynesië tussen 1000 en 1100. Die knollen moeten door Polynesische zeevaarders zijn verzameld aan de westkust van Ecuador en Peru en naar de Marquesas Eilanden en de Tuamotu-archipel zijn gebracht. De onderzoekers noemen dit de Kumara-lijn, naar de woorden voor zoete aardappel in het Polynesisch en Quechua. Van deze eilandengroepen heeft de knol zich langs secundaire routes verspreid naar Hawaii en uiteindelijk, met de eerste Polynesische kolonisten, naar Nieuw-Zeeland.

De uitkomsten van het Franse onderzoek laten ook zien dat de zoete aardappel, na deze eerste introductie, in twee golven en langs twee verschillende routes opnieuw is ingevoerd in Oceanië, ditmaal door tussenkomst van Europeanen. De ene was de Camote-route, naar de naam die knol heeft in Puebla, Mexico. Langs deze weg brachten Spaanse schepen de zoete aardappel rond 1520 van de Mexicaanse westkust naar de Filippijnen.

De derde aanvoerlijn wordt door Roullier c.s. de Batata-route genoemd. Daarlangs brachten Portugese zeevaarders omstreeks 1500 de zoete aardappel, die zij batata noemden, van de Caraïbische Zee via Kaap de Goede Hoop naar de Molukken. Van daaruit bereikte de knol via inheemse handelslijnen rond 1700 Nieuw-Guinea. Daarmee lijkt een ander oud vraagstuk opgelost: dat tuinbouwende Papoea’s van het centrale bergland al eeuwen voor zij in rechtstreeks contact kwamen met westerlingen een gewas teelden dat uit Zuid-Amerika stamt.

    • Dirk Vlasblom