Column

Minder epo, meer emo, Lance

Oprah handelt als de Hollywood Messias in redemption stories, wederopstandingsverhalen. De zondaar gaat ten biecht, betuigt spijt, waarna er hoop is op genezing. De emotionele waarheid staat daarbij voorop („Hoe voel je je?” „Ben je nu een beter mens?”). Bij Lance Armstrong was de biecht kort– zo ongeveer 54 seconden – en moest het resterende gesprek gaan over de emotionele waarheid. Maar hoe hard Oprah ook hengelde („Wat wil je tegen al die mensen zeggen die in jou geloofden, Lance?”), Lance Armstrong had nog niet zoveel spijt („it was a level playing field”), en distantieerde zich miraculeus van de man die hij op een schermpje zag ontkennen („Ik vind dat ook geen leuke man”).

Als er geen grote spijtbetuigenis kwam, wat deed Armstrong daar dan eigenlijk? „Veel mensen”, aldus Oprah, „denken dat jij dit doet omdat je weer wilt sporten.” Lance zei dat hij niet ontkende competitief te zijn. Andere renners kregen zes maanden in ruil voor hun verhaal, hij had ‘de doodstraf’ gekregen. Dat was niet eerlijk. Hij droomde er van de marathon te lopen als hij vijftig was. Dit verhaal was een ruilmiddel.

Mijn literatuurwetenschappelijke hart begon opeens luid te bonzen. De handel in verhalen werd meer dan een codenaam uit het wielerpeloton, waar de naam van de Amerikaanse schrijver Edgar Allen Poe ere wordt gehouden als schuilnaam voor EPO. Oprah wierp Armstrong nu een andere beschuldiging toe, namelijk dat hij graag „het narratief onder controle hield”. „Oh yes,” gaf Lance grif toe. De keren dat hij de uitkomst van het ‘narratief’ niet in de hand had (kanker, zijn ontmaskering) waren de donkerste dagen van zijn leven.

In de vele commentaren op het interview ging het opvallend vaak over de vraag wie de controle had over het narratief – had Oprah wel de touwtjes in handen, of kwam Lance overal mee weg? Het kan zijn dat ik teveel in het Europese narratief (de omgeving bepaalt mede wat er van een individu terecht komt) ben groot gebracht, maar na dat duidelijk was vastgesteld dat Armstrong een ‘jerk’ was, snakte ik steeds meer naar verhalen over die ‘dopingcultuur’, de werking van dat ‘level playing field’ en harde informatie over de rol van bestuurders, sponsoren, de UCI en doctoren.

Enter de wielerjournalistiek. Stonden na de val van Lance Armstrong de kranten bol van kritiek op de falende wielerjournalistiek, nu triomfeerde ze glansrijk. Terwijl de ploegbestuurders en dopingautoriteiten weer eens bij Nieuwsuur aanschoven, daar hun geijkte teksten oplepelden en er nog altijd bij zaten alsof de bekentenis van Armstrong een overwinning was in plaats van een brevet van hun eigen onvermogen, pakten wielerjournalisten formidabel uit met grote stukken over onder meer dopinggebruik in de Raboploeg.

Thijs Zonneveld, sportjournalist voor deze krant en oud-wielrenner, memoreerde bij Pauw & Witteman hoe hij als renner in Seoul stond te blauwbekken van de kou, omdat ze moesten wachten op Lance Armstrong die het startsein zou geven. Voor een miljoen dollar! Edgar Allen Poen. „Fuck you” zei Lance tegen Zonneveld toen die aan hem vroeg of ze eindelijk konden gaan starten.

Zonneveld heeft de wetten van Oprah beter begrepen dan Armstrong: het draait in de media om de emotionele waarheid. Wie de emotionele waarheid aan zijn kant heeft, controleert het narratief. En dat kon nog maar een kant op: „Fuck you too, Lance!” Maar daarmee is het narratief nog niet gesloten. Wat gaat er gebeuren met Hein Verbruggen? Hij hoefde voor het geld niet eens hard te fietsen, maar alleen maar Armstrong te vriend te houden. En wie wordt nu de good guy? Floyd Landis, die eigenlijk Armstrong in alles probeerde te kopiëren, inclusief intimidatie? En hoe moet het nu verder met de good girls? Onder wie de neurotisch obsessief overkomende klokkenluider Betsy Andreu?

Het zijn de wielerjournalisten die een belangrijke rol kunnen gaan spelen in de verdere ontwikkeling van ‘het narratief’.

Filosoof, schrijver en tv-maker Stine Jensen schrijft elke dinsdag over media, populaire cultuur en hypes.