Hollandse films in overvloed

Er zijn negen Nederlandse speelfilms te zien op het IFFR. Zijn we zo goed? Niet helemaal. Eigenlijk laten regisseurs hun films liever zien in Berlijn. Maar daar vallen ze minder op...

©Pief Weyman/pief.ca

Redacteur Film

Een opmerkelijke oogst: negen Nederlandse speelfilms op het Internationaal Film Festival Rotterdam. Twee daarvan in de Tijgercompetitie, en De Wederopstanding van een Klootzak* ook als opening. Dat was wel eens minder.

Grote filmfestivals als dat van Berlijn, Venetië en Cannes beseffen dat ze ook een etalage voor de nationale filmindustrie zijn. Ze hebben vaak een bijprogramma dat films van eigen bodem onder de aandacht van de filmpers brengt. Met name Venetië heeft er een handje van Italiaanse titels in de hoofdcompetitie te smokkelen die daar eigenlijk niet thuis horen.

Tussen Rotterdam en de nationale film boterde het van oudsher minder. Festivaloprichter Huub Bals keek neer op film van eigen bodem: alleen extreem ontoegankelijke kunstfilms waren welkom. Bals cultiveerde vetes met Alex van Warmerdam – diens publiekshit Abel was volgens hem een goede indicatie van de beroerde Nederlandse smaak – en Theo van Gogh, die Bals een ‘opgeblazen windbuil’ noemde. De beruchte opmerking van bestuurder Kees Bode in 1985, dat Rotterdam zijn publiek afschrikte met „producties uit Wakki-takkieland”, was voor Bals eerder een compliment.

Na Bals’ voortijdige dood in 1988 veranderde er onder zijn buitenlandse opvolger Marco Müller weinig. Onder Emile Fallaux trad in de jaren negentig de dooi in, maar toen was het aanbod beperkt door het droevige peil van de Nederlandse cinema, die op zijn dieptepunt zo’n half procent marktaandeel had.

De Raad van Cultuur vermaande Rotterdam in 2008 zich wat meer te ontfermen over de Nederlandse kunstfilm. Dat was inderdaad een mager jaar, met maar één speelfilm van Nederlandse bodem: Club Zeus van David Verbeek. Maar dat is vooral een kwestie van toeval, zegt de huidige festivaldirecteur Rutger Wolfson. Er zijn vaak gewoon niet genoeg kwalitatief hoogwaardige films voorhanden.

Wolfson heeft geen moeite met de notie dat zijn festival ook een uitstalkast is voor de Nederlandse film. „Rotterdam is echt een prima etalage voor Nederlandse films. En zeker dit jaar is dat belangrijk. Nu er veel minder geld beschikbaar komt voor Nederlandse film, willen we graag laten zien dat er echt iets is opgebouwd, dat er goede, jonge filmmakers zijn.”

Het punt is eerder dat Nederlandse filmers de grotere en beter verlichte etalage van Berlijn prefereren. Dat bleek deze week toen bekend werd dat de boekverfilming Boven is het stil van vaste Berlijngast Nanouk Leopold daar het bijprogramma Panorama opent.

Anders dan Rotterdam, heeft de Berlinale veel aandacht voor het in Nederland van oudsher sterke genre van de kinder- en jeugdfilm: vorig jaar gingen Kauwboy en Patatje Oorlog in Berlijn in première. Maar ook het in Rotterdam opgenomen Snackbar koos voor Berlijn, evenals Sacha Polaks’ debuut Hemel. Het is de vraag of het overige Nederlandse aanbod dit jaar die optie had, maar De Wederopstanding van een klootzak was zeker naar Berlijn gegaan als Rotterdam hem niet als opening had gewild.

Rutger Wolfson vindt het kortzichtig: Rotterdam is voor veel films een beter lanceerplatform dan Berlijn, waar de filmpers zich concentreert op de glamoureuze competitie en films in de bijprogramma’s „vaak totaal ondersneeuwen”. Wolfson: „Nederlandse filmproducers vinden twee dingen belangrijk: uitbreng in Nederland en de internationale carrière. Speel je jezelf in Rotterdam in de kijker, dan kan je een week later goede zaken doen op de filmmarkt van Berlijn.”