Een behekste kleedkamer

De Afrika Cup is dit weekend gestart. Maar toeschouwers blijven weg. Ook het Afrikaanse clubvoetbal is in crisis: door omkoping, corruptie, geweld en hekserij. „Het heeft niets met sport te maken.”

Fans van Ghana afgelopen weekeinde bij de wedstrijd van hun land tegen Congo om de Afrika Cup. Foto AP

Afrikanen zijn gek van voetbal, maar tijdens de Afrika Cup zijn de stadions altijd akelig leeg. Daarvoor is een vliegreis, een hotelovernachting en een kaartje voor de meeste Afrikanen simpelweg te duur.

Zaterdag was de aftrap van het toernooi voor Afrikaanse landenteams, dat dit jaar in Zuid-Afrika wordt gehouden. De organisatoren hoopten dat dankzij het grote aantal Afrikaanse migranten in Zuid-Afrika de tribunes nu wat voller zouden zijn. De openingswedstrijd tussen Zuid-Afrika en Kaapverdië in Johannesburg (0-0) was in ieder geval uitverkocht. Maar de kaartverkoop voor andere wedstrijd gaat zo langzaam dat de kans groot is dat sterspelers als Didier Drogba, Yaya Touré en Wilfried Bony slechts voor een paar duizend fans zullen spelen.

Bij de vorige Afrika Cup waren de organisatoren in Gabon zo bezorgd over het negatieve beeld van lege stadions, dat ze gratis kaartjes uitdeelden en vervoer regelden voor studenten en arbeiders. Maar de animo bleef bedroevend laag. De Gabonezen die wel naar het stadion kwamen voor de wedstrijd Marokko tegen Niger, gingen lekker dichtbij de perstribune zitten zodat ze op de televisies daar live Gabon konden zien spelen. Er klonk alleen gejuich toen Gabon het winnende doelpunt scoorde, vijfhonderd kilometer verderop.

Lege stadions zijn niet de enige reden dat de Afrika Cup weinig enthousiasme losmaakt. Het spel is ook vaak van een matig niveau. Dit is het gevolg van corruptie, geweld en hekserij, zegt cultureel antropoloog Arnold Pannenborg, die in oktober vorig jaar promoveerde op zijn proefschrift Big Men Playing Football. Hierdoor kwijnen competities weg, vertrekken talentvolle spelers naar het buitenland en haken voetbalfans af.

„Voetbal is in Afrika een springplank voor een politieke carrière”, zegt Pannenborg. ,,De meeste bestuurders van clubs en voetbalbonden zijn big men, rijke zakenmannen. Afrikaanse voetbalclubs genereren weinig sponsorgeld, dus die big men stoppen er veel eigen geld in. Dit doen ze omdat ze er financieel en politiek beter van worden.”

Zakenmannen richten meestal een club op in hun eigen dorp, vaak niet meer dan een gehucht met een paar honderd inwoners waar niet eens elektriciteit is. „Daar is dan een club uit de Premier League gevestigd”, zegt Pannenborg, „die speelt op aftandse velden vol gaten. Met zo’n voetbalclub zetten die zakenlui hun dorpje letterlijk op de kaart. Als ze een paar wedstrijden winnen, vergroten ze hun prestige en populariteit. Als dank worden ze verkozen in het parlement, waar ze veel meer geld kunnen verdienen dan ze ooit in de club hebben gestopt.”

Dit gebeurt niet alleen in Kameroen, maar in de meeste Afrikaanse landen. De laatste twee presidenten van Ghana waren clubvoorzitters. In Nigeria worden de meeste clubs geleid door gouverneurs van de deelstaten. De voorzitter van Enyimba FC, de Nigeriaanse club die in 2003 en 2004 de Afrikaanse Champions League won, heeft later aan de presidentsverkiezingen meegedaan.

Voor zijn onderzoek reisde Pannenborg tussen 2008 en 2011 meermaals naar Ghana en Kameroen, waar hij sprak met spelers, trainers, supporters, scheidsrechters, voorzitters van voetbalclubs en toverdokters. Uit al die gesprekken concludeert hij dat de wedstrijden zelf er nauwelijks toe doen. Veel clubs in Ghana en Kameroen bestaan puur om geld te verdienen aan de handel in spelers. Hoge bestuurders strijken een deel van de transferkosten op.

Het spel op het veld is vaak een façade voor politieke strijd, zegt Pannenborg. „Teams worden uit de competitie gewerkt omdat ze tot de oppositie behoren. En de grootste clubs kunnen niet degraderen omdat hun voorzitters machtige politici zijn met belangrijke functies in de voetbalbond.” Enkele teammanagers, scheidsrechters en clubofficials in Ghana gaven tegen Pannenborg toe dat veel wedstrijden zijn gekocht. „Scheidsrechters vertelden me dat ze telefoontjes kregen van hoge politici: ‘we vertrouwen erop dat jij doet wat goed is’. Wie die politici waren, wilden ze niet zeggen. Ook vertelden ze dat ze geld of dure spullen kregen aangeboden. Uiteraard zeggen ze dat alleen collega’s die cadeautjes aannemen.”

Eén clubvoorzitter voorspelde zelfs de einduitslag van de competitie, met nog dertien wedstrijden te gaan. „Hij wees erop dat sommige voorzitters bevriende zakenlieden zijn, die wedstrijden uitwisselen. Hij zei: ‘van die club winnen we, want die heb ik vorig jaar laten winnen. En deze voorzitter heb ik voor een vriendenprijsje een aantal spelers verkocht, dus hij is me nog wat verschuldigd. Het heeft niets met sport te maken.”

Door alle verhalen over corruptie en omkoping raken de stadions steeds leger. Veel voetbalfans kijken liever naar Europese competities, daar spelen immers hun helden. Ook het geweld rond wedstrijden speelt een rol. „Het is geen uitstapje voor de hele familie meer. Ik was in 2009 bij een wedstrijd tussen AshantiGold en Asante Kotoko in de Ghanese stad Obuasi. Supporters van de ene partij begonnen met stenen te gooien naar supporters van het andere team. De politie reageerde door traangasgranaten in het vak te schieten, de supporters konden geen kant op.”

Pannenborg zat in het vak ernaast en sloeg samen met alle andere supporters op de vlucht. „Maar er waren niet echt uitgangen, dus iedereen hielp elkaar over de hekken te klimmen. Er was gelukkig nog enige saamhorigheid en geen blinde paniek. Maar aan de andere kant van het stadion lagen mensen bewusteloos op de tribune.”

De meeste stadionrampen in Afrika worden veroorzaakt doordat corrupte functionarissen toestaan dat er te veel kaartjes worden verkocht, de faciliteiten slecht zijn en de politie verkeerd reageert. In 2001 vielen in de Ghanese hoofdstad Accra 127 doden bij een wedstrijd tussen Hearts of Oak en Asante Kotoko. Ook toen gebruikte de politie traangas, waarna er paniek uitbrak in het publiek.

Ook hekserij draagt bij aan de malaise van het Afrikaanse voetbal, zegt Pannenborg. Veel Afrikanen geloven dat geesten grote invloed hebben op het dagelijks leven. Voor een goede oogst, geluk in de liefde en succes op het voetbalveld moeten die geesten gunstig worden gestemd. Dit is de taak van toverdokters, mannen en vrouwen die zeggen in contact te staan met de geestenwereld.

Het inhuren van toverdokters om wedstrijden te beïnvloeden is in veel Afrikaanse landen een heikel onderwerp, toch gebeurt het op grote schaal. Veel clubvoorzitters geven zelfs meer geld uit aan ‘spiritueel adviseurs’ dan aan een goede trainer. Pannenborg: „Een toverdokter van de club Mount Cameroon liet een dode kat begraven bij de cornervlag. In zijn bek was een briefje gestopt met de namen van de spelers van de tegenpartij.”

En een Ghanese club had een ‘behekste’ kleedkamer, waarmee tegenstanders werden geïntimideerd. Pannenborg: „De bezoekers kregen die kleedkamer toegewezen, maar ze waren er met geen stok in te krijgen. Dus kleedden ze zich om in de centrale hal van het stadion, terwijl bodyguards en militairen de wacht hielden. In de rust hield de trainer zijn praatje daar ook. De thuisclub kreeg van voetbalbond hiervoor een boete van een paar honderd euro, maar dit stond in geen verhouding tot de onrust die was gezaaid.”

Dit soort verhalen zijn legio in het Afrikaanse voetbal, ook op nationaal niveau. Zo zou Ivoorkust in 1992 de Afrika Cup hebben gewonnen met dank aan een aantal toverdokters. Toen de voetbalbond weigerde hun te betalen, hebben ze een vloek over het nationale team uitgesproken. Jarenlang wisten de ‘Ivoriaanse Olifanten’ geen belangrijke wedstrijd meer te winnen. Pas toen de regering de ‘spiritueel adviseurs’ alsnog had betaald, werd de ban doorbroken. In 2006 stond het team weer in de finale van de Afrika Cup.

Komend toernooi is Ivoorkust opnieuw een van de favorieten. Maar de vraag is of er veel Ivoriaanse fans in het stadion zitten om hun team aan te moedigen. Wel zullen er honderden Ivoriaanse zakenlieden, politici en bobo’s van voetbalclubs op de tribune zitten. „De kaartjes zijn uiteraard betaald door de voetbalbond, net als de business class vlucht en het vijfsterrenhotel”, zegt Pannenborg. „Want de Afrika Cup is bij uitstek een moment om je politiek te profileren.”

    • Toon Beemsterboer