De angst voor de saboteur

Wat doen mensen als ze voor langere tijd met elkaar opgesloten zitten? Hanna Bervoets deed ervaring op toen ze meedeed aan Wie is de Mol?

ca. 1993, Topeka, Kansas, USA --- Doors stand open in the empty halls of Monroe Elementary School, in Topeka, Kansas. The school was made a National Historic Site in 1992 for it's part in the landmark case of Brown vs. Board of Education which made racial segregation in schools illegal. --- Image by © Phil Schermeister/CORBIS © Phil Schermeister/CORBIS

Redacteur Boeken

In de tijd van William Golding had je fictie nodig om je voor te stellen wat er zou gebeuren als een groep mensen, kinderen in zijn geval, van de wereld afgesloten zou worden. Zijn microkosmos leverde in Lord of the flies (1954) moord en doodslag op, een sombere boodschap, uiteraard vooral bedoeld om iets te zeggen over de feilen van zijn eigen tijd. Maar daar is de literatuur niet meer voor nodig. Sinds vijftien jaar geleden Big Brother het licht zag – een van de weinige tv-programma’s die hun naam aan een roman danken – zit altijd wel ergens ter wereld een gezelschap ongelukkigen opgesloten om voor het oog van de camera een vorm van samenleving te vinden.

Mensen opgesloten in een prefabwoning, een villa of ergens in de bergen met een speciale missie – we hebben er geen literatuur of vliegrampen meer voor nodig, men laat zich vrijwillig vastzetten in een sociologische proefopstelling. Deelnemers onderwerpen zich aan een fictief verhaal van gevangenschap, hopend op een hoofdprijs of televisieaandacht, als die laatste al niet de hoofdprijs is.

De relatie tussen fictie en werkelijkheid krijgt nog een extra laag wanneer een van de deelnemers aan zo’n programma zelf fictieschrijver is, zoals Hanna Bervoets, die in 2011 deelnam aan Wie is de Mol?, waarin kandidaten in gezamenlijke afzondering opdrachten moeten uitvoeren die door één van hen worden gesaboteerd (Bervoets bleek mol noch winnaar, ze was de eerste afvaller).

Die ervaring heeft zijn sporen achtergelaten in Alles wat er was, Bervoets’ derde roman, na Of hoe waarom (2009) en het met de Opzij Literatuurprijs bekroonde Lieve Céline (2010). In de nieuwe roman raakt een groep mensen opgesloten in een schoolgebouw bij de opname van een wetenschapsprogramma: het achtjarige jongetje Joeri (een wiskundewondertje, onderwerp van een tv-reportage), zijn moeder Natalie, zijn meester Kaspar, de conciërge Kaylem en de leden van de televisieploeg: presentator Leo, cameravrouw Lotteke, de redacteuren Barry en Merel. De roman bestaat uit de dagboekaantekeningen van deze Merel, die door Bervoets ter verhoging van de spanning vakkundig door elkaar zijn gehusseld. Spannend is de roman zeker: tijdens de opnamen horen de aanwezigen buiten een knal van apocalyptische proporties. Via de televisie krijgen ze de opdracht alle openingen en kieren van het gebouw te sluiten, net als de gordijnen en luxaflex, en uit de buurt van deuren en ramen te blijven.

Die setting vergt veel van de willing suspension of disbelief, want zou je werkelijk eerst de tv aanzetten en dan pas naar buiten kijken? En wat was er door het raam te zien toen men de gordijnen sloot? Hangen overal gordijnen? En juist deze school serveert zijn leerlingen warm eten en beschikt dus over behoorlijk wat voedsel – wat voor de voortgang van de roman een wel zeer gelukkig toeval is. Want de zeven opgeslotenen (Lotteke neemt al snel de benen, verlangend naar haar tweejarige kind thuis) zullen het lang moeten volhouden in de school.

In de loop der dagen en weken ontwikkelt zich een rolverdeling met iemand die zich om het eten bekommert (Kaspar), die schoonmaakt (Kaylem), een jongetje dat de volwassenen bij elkaar houdt (de kleine Joeri) en een leidersfiguur die de routine bewaakt. Die laatste is Leo, oud-basketballer, „de charismatische presentator die overal en altijd met iedereen praatte”, mensen onthield, zich nooit opwond en in zijn vrije tijd bundels met Amerikaanse short stories samenstelde – het is niet moeilijk in Leo de programmamaker, poëziebloemlezer en romanschrijver Arie Boomsma te herkennen.

Intussen geeft de afzondering van haar personages Bervoets de gelegenheid om het type geestig-huiselijke observaties te doen die ook vaak opduiken in haar wekelijkse column in de Volkskrant. Daaruit blijkt ook dat het haar in deze literaire proefopstelling niet zozeer te doen is om grote sociale structuren en mechanismen, maar vooral om het alledaagse (of eigenlijk voorheen alledaagse) verkeer tussen mensen.

De ‘nieuwe situatie’ leidt vooral tot gedachten over de ‘oude situatie’, vóór de knal, toen iedereen nog met zijn gedachten was bij wat hij later zou gaan ondernemen. „Overal kregen we toekomst aangeboden.” En over internet, waar alles te vinden is: „Nog liever dan zoeken keken we naar dingen waarvan anderen dachten dat wij ze wilden vinden […] Filmpjes waarin dieren of baby’s dingen deden. Zelf had ik een voorkeur voor filmpjes van katten. Ik hield niet van katten. Maar wel van beelden waarop katten werden gekieteld, over een piano liepen of ergens vanaf vielen.”

Het is vakkundig gedaan, maar tot opmerkelijke inzichten leidt het niet: Merels observaties lijken net te veel op de gedachten die het moderne leven losmaakt aan een willekeurige cafétafel. Daartegenover staat dat Bervoets tot originele vergelijkingen komt. Wanneer de kleine Joeri in gevaar is gebracht, formuleert ze het verwijt van de leraar en de moeder zo: „Rijdt een automobilist een fietser aan, is dat dan de schuld van de automobilist? Of van de barman die de automobilist het laatste glas bier gaf […] Volgens Kaspar is Leo de barman. Volgens Natalie ben ik de automobilist.”

Die scène is een van de eerste waarin de groep in Alles wat er was uiteen begint te vallen. Een katalysator daarbij is een leeg medicijnbuisje van het antidepressivum Holopax dat Merel vindt en dat haar doet vermoeden dat een van de anderen op het punt staat in een psychopaat te veranderen. Maar wie is de stiekeme slikker? En hoe helder is de blik van Merel zelf eigenlijk? Bovendien hollen de onderlinge afkeren en affecties de verhoudingen uit, een proces dat verder wordt aangejaagd door de afnemende voorzieningen: eten, licht, verwarming, alles blijkt eindig. Zo wordt de roman in het tweede deel spannender, sterker en ontluisterender. Bervoets laat je even weinig illusies over het menselijk gedrag als Golding deed. Ze laat het ene na het andere personage van het toneel verdwijnen – net als in een echte realityserie.

Het centrale thema in Alles wat er was is wantrouwen, een fenomeen waarin Bervoets zich bij haar deelname aan Wie is de Mol? grondig in zal hebben verdiept. Daarbij blijkt de angst voor de saboteur uiteindelijk relevanter dan de vraag naar het bestaan van de saboteur: de ongelukken in deze roman zijn steeds het gevolg van verdenkingen. Zoals het er ook niet veel toe doet hoe gevaarlijk de situatie buiten het schoolgebouw is – tot het einde blijft de achtergrond van de knal onduidelijk.

Natuurlijk draait het bij een roman in het opsluitingsgenre om de drang tot overleven, maar het huiveringwekkende van de ijzersterke slot – sorry, geen details – van Alles wat er was is dat daar nog iets bij komt: de kracht om van dat overleven af te zien.

Hanna Bervoets: Alles wat er was. Atlas Contact, 284 blz. € 19,95 ***