Dansen als een nazi

De voorstelling Lo Real van flamencodanser Israél Galván gaat over de vervolging van zigeuners tijdens de holocaust. Vanavond te zien in Amsterdam.

Medewerker Dans

Misschien was hij wel voorbestemd om deze voorstelling te maken. Israél Galván (Sevilla, 1973) is zich bewust van het gewicht van zijn uitspraak en trekt een ironische grimas. Toch zit er iets in. Afstammeling van flamencozigeuners aan moederszijde en Jehova’s Getuigen aan vaderszijde, en genoemd naar het uitverkoren volk – zo vreemd is het dan niet een flamencovoorstelling over de vervolging van de zigeuners door de nazi’s te maken. „Daarbij”, zegt hij met een scheve grijns, nog iets dieper wegzakkend in een fauteuil in de foyer van het Madrileense Teatro Real, „kom ik uit een familie met een apocalyptische inborst; wij verwachten elk moment het laatste oordeel. De Holocaust was in mijn jeugd een dagelijks gespreksonderwerp. Al mijn dansen gaan over de dood. Lo Real gaat over de dood in zijn meest extreme en wrede gedaante.”

Galván, deze week te gast op de Flamenco Biënnale in Amsterdam, behoort tot de voorhoede van de hedendaagse flamenco. In niets lijken zijn voorstellingen – tot op heden uitsluitend solo’s – op de toeristische roos-tussen-de-tandenversie, noch op de traditionele, ‘puristische’ flamenco. De kleine danser gebruikt moderne dansstijlen en alledaagse bewegingen om zijn choreografieën te verrijken. Voortdurend glijdt hij in en uit het ‘flamencoharnas’ en transformeert van een soepele dansgod tot een lichtelijk misvormde trol.

Alles valt in dans uit te drukken, is zijn overtuiging, als de flamenco-energie er maar is. En als het goed is, hebben flamencistas die altijd. „Als een flamencodanser een taxi aanhoudt, ziet dat er al anders uit.” Toch twijfelde hij zelf ook aan het idee voor Lo Real. Het zaadje werd geplant door een van zijn leermeesters, Mario Maya, die ooit danste in een film (Canta Gitano van Tony Gatlif) over zigeuners in de vernietigingskampen. Fragmenten worden tijdens de voorstelling op een muurtje van houten kistjes geprojecteerd.

Op het toneel is geen trein te zien, maar worden de beruchte veewagons vooral in geluid vormgegeven: Galváns ‘zapateados’ (voetroffels) klinken als een optrekkende locomotief en door met ijzeren balken te slepen veroorzaakt hij het unheimische geschraap en gegil van ijzeren wielen over de rails.

Een enkele keer is er, kort, sprake van directe verwijzingen. Door Galván bijvoorbeeld, als hij de Hitlergroet brengt – maar zijn hand onmiddellijk als een herfstblaadje laat neerdwarrelen. Door ‘bailaora’ (flamenco-danseres) Isabel Bayón die, met een hinkpasje, propagandaminister Joseph Goebbels imiteert of, achter een spot op driepoot over het toneel lopend, de beruchte cineaste Leni Riefenstahl verbeeldt. Riefenstahl, die zelf een zigeunerdanseres speelde in haar film Tiefland, waarvoor zij zigeunerfiguranten uit concentratiekamp Maxglan liet halen. Flamencoster Belén Maya sterft in de voorstelling, schokkend en trillend in het schrikdraad.

Met die laatste scène balanceert Galván op het randje van de goede smaak, maar hij tuimelt er niet over. Toch is dit het moment waarop, een week na de tumultueuze première in Madrid, wéér een toeschouwer wegloopt uit het deftige Teatro Real. „Porquería!”, smeerlapperij, sist de dame ontstemd. Tijdens de eerste opvoering verlieten bijna 150 mensen de zaal, en niet stilletjes. Vooral het spelen van de Marcha Real, het Spaanse volkslied, schoot het publiek in het verkeerde keelgat, evenals het liedje van Uchi.

Dat liedje, overgenomen uit een wasmiddelenreclame, valt te beschouwen als de sleutel tot de voorstelling. Galváns motivatie voor Lo Real (‘het echte, het ware’) is waarschuwen, zorgen dat de gebeurtenissen uit het verleden niet vergeten worden. In Spanje, dat goede banden onderhield met Hitler-Duitsland en tot de dood van Franco in 1975 een fascistisch regime kende dat zigeuners bepaald niet gunstig gezind was, laten velen de geschiedenis liever de geschiedenis. Zeker het premièrepubliek van Teatro Real, grotendeels bestaand uit de oude Spaanse elite.

Galván: „Ik vind het veelbetekenend dat het publiek pas echt begon te schreeuwen toen Uchi haar liedje zong. Een zigeunervrouw, oud, niet mooi, een vrouw van de straat; de meest realistische kunst denkbaar. Het leek wel alsof dat het signaal voor de aanval was.”

In Lo Real treedt hij voor het eerst niet alleen op. Het kon niet anders. Dit onderwerp mocht geen demonstratie worden van zijn individuele danskunst, voelde hij . Hij koos niet de minsten: Belén Maya en Isabel Bayón vullen met gemak grote zalen. Zijn keuze voor Maya lag voor de hand: als dochter van flamencovernieuwer Mario Maya zoekt zij graag het experiment op, net als Galván. Voor Bayón, die als minder radicaal te boek staat, was Lo Real een buitenkans. „Omdat de voorstelling onder mijn naam wordt uitgebracht, is dit voor haar een manier om zonder reputatieschade wat vrijheid te ‘kopen’. Onder haar eigen naam, vertelde ze, zou zij zoiets nooit durven.” Galván heeft het wel aangedurfd. Ook omdat hij tegenwoordig verontrustende tendensen waarneemt. De omstreden ‘deportaties’ van Roma uit Frankrijk in 2010, bijvoorbeeld. Maar het is breder. „In heel Europa zie je dat de houding ten opzichte van immigranten negatiever is geworden. Dat verhaal moet ook worden verteld worden.”

Flamenco Biënnale 2013, t/m 3/2. Galván treedt vanavond op met Lo Real in Amsterdam, zie flamencobiennale.nl