Zonder winnaar is topsport zinloos

Het staat nu vast: Lance Armstrong is een leugenaar. In het interview met presentatrice Oprah Winfrey heeft de Amerikaanse wielrenner toegegeven dat hij alle keren waarin hij de Tour de France als winnaar afsloot, doping had gebruikt.

Met terugwerkende kracht is ook de verbale agressie die hij vertoonde als hij van dopegebruik werd beschuldigd, als een hypocriet, zij het wel knap uitgevoerd toneelspel te omschrijven.

Van betekenis is ook Armstrongs stelling in het interview dat het winnen van de Tour zonder het gebruik van epo of andere verboden middelen hem niet zou zijn gelukt. Doping maakte onderdeel uit van de in de wielersport heersende cultuur. Anders gezegd: er waren meer renners die wel gebruikten dan renners die ervan afzagen; de laatste categorie maakte veel minder kans op grote successen.

Dat die cultuur er was, is eigenlijk al eerder gebleken. De wielerautoriteiten hebben Armstrong zijn zeven Touroverwinningen afgenomen en gisteren kwam daar ook nog de derde plek bij die hij in 2000 bij de Olympische Spelen in Sydney behaalde. Maar de gele truien zijn vervolgens niet uitgereikt aan degenen die in de Tour als nummer twee achter hem eindigden, omdat ook zij geen onbesproken dopingverleden hadden. Dat levert de statistische absurditeit op dat er nu zeven Rondes van Frankrijk de geschiedenis zijn ingegaan waarvan de uitslag wel een nummer twee, drie enzovoorts vermeldt, maar geen winnaar laat zien. Dat reduceert topsport tot een zinloze bezigheid.

Hier en daar bestaat de hoop dat de affaire-Armstrong voor een omslag zorgt in de (wieler)sport. Dat zijn verklaringen en de onderzoeken die gaande zijn, epochaal zullen zijn, een mooi woord voor baanbrekend. Maar het valt niet uit te sluiten dat dit een illusie is. Wat de bekentenis van Armstrong en de eerdere getuigeverklaringen van zijn voormalige ploegmaten vooral aantonen is dat de dopingcontroles tekort zijn geschoten. Het zoveelste bewijs van de eeuwig voortdurende farmaceutische strijd tussen laboratoria die verboden middelen trachten op te sporen en de industrie die telkens weer middelen weet te fabriceren die (nog) niet te traceren zijn.

De liefhebbers van fair play moeten dus maar hopen dat de laatste twee Tourwinnaars, de Brit Bradley Wiggins en de Australiër Cadel Evans, hun successen zonder verboden stimulantia hebben weten te boeken. Vanzelfsprekend verdienen zij het dat het publiek daarvan uitgaat, totdat het tegendeel vaststaat. De zaak-Armstrong bewijst dat dit jaren kan duren. Wie durft te beweren dat alle wielrenners nu ‘schoon’ rijden, is een grote optimist.