Voor de Franse troepen uit

De architect van het Franse ingrijpen in Mali gaat liever te snel dan te langzaam. Ooit was Laurent Fabius een gezworen vijand van president Hollande, nu is hij zijn minister van Buitenlandse Zaken.

Juliette Greco decore de la legion d'honneur par Laurent Fabius a l'hotel Matignon a Paris le 24 octobre 1984 --- Juliette Greco receiving Legion of Honour from Laurent Fabius, in Matignon, Paris, october 24, 1984 Rue des Archives/Hollandse Hoo>

Hij loopt soms wat op de zaken vooruit. Het eerste doel van de Franse missie in Mali, het tot staan brengen van de opmars van moslimextremisten die het noorden van het land hadden ingenomen, „was bereikt ”, zei Laurent Fabius exact twee dagen na het begin van de operatie met de van hem bekende bravoure. Enkele uren later liepen rebellen het centraal gelegen plaatsje Diabaly onder de voet en moest zijn collega van Defensie erkennen dat de Franse interventie wellicht toch moeilijker was dan gedacht. En nog voordat Algerije of zelfs het Verenigd Koninkrijk die eerste dagen van de Franse strijd in Afrika in het openbaar hun praktische of materiële steun konden toezeggen, stelde Fabius beide landen voor voldongen feiten.

De Franse minister van Buitenlandse Zaken, een van de meest verrassende benoemingen vorig jaar van François Hollande, is de architect van het Franse ingrijpen in Mali. Al sinds het aantreden van de nieuwe president, vorig jaar mei, probeerde Fabius internationaal steun te vragen voor een missie die de opmars van de radicale rebellen richting hoofdstad Bamako moest keren. Hij is bezorgd om het gevaar dat een „terroristische staat” in West-Afrika „ook voor Europa” kan hebben.

Maar, verklaarde hij in november nog in een groot interview met de Frankfurter Allgemeine Zeitung: „Het militair ingrijpen is een zaak van de Afrikanen.” Frankrijk en de Europese Unie zouden wel kunnen helpen de troepen op te leiden. „We sturen geen grondtroepen.”

De immer stellige maar buigzame Fabius was tijdens het eerste half jaar van het presidentschap van Hollande een van de meest zichtbare ministers. Niet alleen vanwege Mali, maar ook door de Franse voortrekkersrol in het conflict in Syrië en de bemiddelingsrol die hij voor het conflict in Gaza aanbood.

Hij gaat voortvarend te werk. Maar het ministerschap is voor Fabius, lang een gezworen vijand van Hollande, eigenlijk een troostprijs. Hij was al drie keer eerder bewindsman, twee termijnen voorzitter van de Assemblée Nationale en in 1984 benoemde president François Mitterrand, zijn leermeester, hem tot de jongste premier die de vijfde republiek ooit heeft gehad. 37 jaar oud was Fabius toen. En voor de moeizame eerste jaren van Mitterrands presidentschap was hij van levensbelang.

Hoewel hij destijds als minister van Begroting – met 35 jaar ook de jongste ooit – net als nu met een speciale belasting voor de rijken de door de Parti Socialiste ingezette linkse koers moest uitvoeren, werd zijn benoeming tot premier juist gezien als een poging van Mitterrand om een nieuw soort zakelijkheid uit te stralen. Fabius, de technocraat, werd wel de „Giscard van links” genoemd, naar Mitterrands gematigd rechtse voorganger Giscard d’Estaing. Hij stond bekend als een socialist-nieuwe-stijl, eentje die geen moeite had om stevig te bezuinigen. Zijn aantreden was voor het communistisch smaldeel in de regering in 1984 reden om er de brui aan te geven.

Maar zijn ambities liepen averij op toen de Parti Socialiste twee jaar later, mede door een dramatisch verlopen televisiedebat van Fabius met Jacques Chirac, de parlementsverkiezingen verloor. De in de ogen van kiezers „ijdele” en „arrogante” kroonprins werd vervangen en enkele jaren later door Mitterrand geparkeerd als voorzitter van de Assemblée Nationale. Hij slaagde er ondanks de steun van de president niet in om in die jaren voorzitter van de Parti Socialiste te worden. De politieke loopbaan van Fabius leek helemaal bekeken toen hij vele jaren na zijn premierschap werd aangeklaagd voor nalatigheid in de affaire rondom met hiv besmet bloed dat aan hemofiliepatiënten was toegediend. Pas in 1999 werd hij van verdere rechtsvervolging ontslagen.

Ongeveer acht jaar geleden, na een korte periode als privatiserend liberaal minister van Financiën in het kabinet-Jospin, maakte hij een berekenende ideologische ommezwaai. De Parti Socialiste, waarvan hij op dat moment de tweede man was, voerde net als president Jacques Chirac campagne voor een vóór-stem bij het door Frankrijk te organiseren referendum voor het nieuwe Europese grondwettelijk verdrag. Fabius verbaasde vriend en vijand en niet het minst eerste secretaris François Hollande van de PS door zich als informeel leider van het kamp van de tegenstanders op te werpen. De grondwet, die in meer integratie voorzag, was volgens Fabius niet sociaal genoeg en zou de Franse verzorgingsstaat in gevaar brengen. Hij benadrukte dat zijn campagne strikt „pro-Europees” was, omdat zowel de oude leden als de nieuwe lidstaten belang hadden bij „een meer menselijke” unie.

Volgens kenners van de diepere krochten van Frans links had Fabius met de opkomst van het verzet tegen de globalisering in werkelijkheid eindelijk een agenda gevonden waarmee hij zich alsnog, twintig jaar na zijn aantreden als premier onder Mitterrand, naar de top kon bewegen. Hij profileerde zich in één keer tegenover de zittende president Chirac en tegen zijn partijleider Hollande, die hem pas ná het in 2005 (verloren) referendum uit de partijtop zette. „De PS moet zich de lessen van François Mitterrand herinneren: onze Europese wil tonen en links samenbrengen”, analyseerde hij in een interview in het katholieke dagblad La Croix. „Om links bijeen te brengen is een linkse politiek nodig.”

Maar een daadwerkelijke kandidatuur voor het presidentschap liep in 2007, net als in 2002, spaak. Ondanks zijn kwaliteiten als orator, eindigde Fabius in de socialistische voorronden als derde, achter Ségolène Royal en Dominique Strauss-Kahn, die hij beiden ‘social-blairisme’ verweet, een stempel dat juist Fabius zelf in andere bewoordingen al ruim voor Tony Blairs New Labour opgedrukt kreeg.

Bij de laatste kandidatuur voor het partijleiderschap, in 2011, maakte hij geen geheim van zijn afkeer van de meest kansrijke kandidaat. „Kunt u zich François Hollande voorstellen als president? Men droomt”, zei hij – een tekst die bij de eindronde vorig jaar overigens enthousiast werd overgenomen door Nicolas Sarkozy. Hoewel hij ooit even in beeld was als topman van het Internationaal Monetair Fonds, kan Fabius zelf niet erg bogen op veel internationale, laat staan diplomatieke, ervaring.

Waarom Hollande Fabius, volgens Le Monde „een van de zeldzame socialistische olifanten” in het kabinet, toch tot zijn minister van Buitenlandse Zaken heeft benoemd, zal nooit helemaal duidelijk worden. Tijdens de campagnes trad Fabius vorig jaar in het buitenland al enkele keren namens Hollande op. (Waarbij een bezoek aan China overigens voortijdig werd afgebroken omdat er geen hooggeplaatste gesprekspartners beschikbaar waren.) Hij werd duidelijk klaargestoomd voor het ministerschap. Net na zijn aantreden zei hij in een interview met Le Monde dat ‘Quai d’Orsay’, zoals het ministerie van Buitenlandse Zaken in Parijs naar het straatadres genoemd wordt, in dienst zal staan van Hollandes economische beleid, van de Franse bedrijfsbelangen in de wereld.

Door de interventie in Mali, waarvoor Fabius in zijn rol als hoogste Franse diplomaat nog altijd internationale steun zoekt, is de man die hij vele jaren bestreed in een ander daglicht komen te staan. Ook is dat economische beleid even van de voorpagina’s verdwenen. Intussen kan Hollande de komende jaren wellicht Fabius’ kennis gebruiken van het laatste socialistische presidentschap, dat van Mitterrand. Hij was het tenslotte die na een aanvankelijk klassiek socialistische voortvarendheid, die ook onder Hollande opspeelde, de weg naar meer pragmatisme en hervormingen insloeg.

    • Peter Vermaas