Opgegroeid in haat tegen de Joden

Morsi's eerdere oproepen tot jodenhaat zijn niet nieuw. Jonge moslims krijgen antisemitisme met de paplepel ingegoten. Als kind hoorde Ayaan Hirsi Ali altijd verwensingen tegen joden.

Illustratie Cameron Cardow

Mohamed Morsi, de president van Egypte, werd drie jaar geleden gefilmd toen hij zijn aanhangers opriep om „onze kinderen en kleinkinderen op te voeden in haat” jegens Joden en zionisten. Niet lang daarna omschreef de toenmalige leider van de Moslimbroederschap zionisten als „bloedzuigers die de Palestijnen aanvallen”, en als „oorlogshitsers en afstammelingen van apen en zwijnen.”

Deze opmerkingen zijn weerzinwekkend, maar schokkend noch nieuw. Als kind dat in een moslimgezin opgroeide, hoorde ik mijn moeder, andere familieleden en buren voortdurend de dood wensen van de Joden, die als onze grootste vijanden werden gezien. Onze godsdienstleraren en de predikers in onze moskeeën reserveerden extra tijd om te bidden voor de vernietiging van de Joden.

De aanhoudende kwalificatie van Joden in het Midden-Oosten als moordenaars en bloedzuigers werd in het Westen afgedaan als een extreem standpunt van radicale randgroeperingen. Maar dat is niet zo. In werkelijkheid vormen moslims die de Joden als vrienden en medemensen beschouwen, met een recht op een eigen staat, een minderheid. Ze staan onder sterke druk om hun mening te herzien.

Overal in het Midden-Oosten kan de haat jegens Joden en zionisten aangetroffen worden in leerboeken voor kinderen die nog geen drie jaar oud zijn, compleet met illustraties van Joden met monsterlijke eigenschappen. Educatieve televisieprogramma’s op de belangrijkste zenders zijn voortdurend antisemitisch van toon. In liedjes, boeken, krantenartikelen en blogs worden Joden afwisselend vergeleken met varkens, ezels, ratten en kakkerlakken, en met vampiers en een hele reeks andere denkbeeldige wezens.

Neem deze beruchte dialoog tussen een driejarige peuter en een televisiepresentator, acht jaar vóór de opmerkingen van Morsi.

Presentator: „Vind je Joden aardig?”

Driejarige: „Nee.”

„Waarom vind je ze niet aardig?”

„Joden zijn apen en varkens.”

„Wie heeft dat gezegd?”

„God.”

„Waar heeft hij dat gezegd?”

„In de Koran.”

De presentator reageert goedkeurend: „Geen [ouders] zouden kunnen wensen dat Allah hen een geloviger meisje zou schenken dan zij … Moge Allah haar zegenen, evenals haar vader en haar moeder.”

Dit gesprek werd niet door een verborgen camera geregistreerd of door propagandisten opgenomen. Het was onderdeel van een goedbekeken programma, genaamd Magazine voor Moslimvrouwen, dat wordt uitgezonden door Iqraa, het populaire satellietkanaal in Saoedi-Arabië.

Het is een belangrijke stap in de goede richting dat een zittende Amerikaanse regering en een aantal toonaangevende Amerikaanse dagbladen de woorden van Morsi ondubbelzinnig hebben veroordeeld. Maar deze veroordeling is pas een eerste stap.

Hier ligt een kans om de breedte en de diepte van de vijandige houding jegens de Joden in het Midden-Oosten te onderkennen, en de manier waarop die het alom gewenste maar ongrijpbare vredesproces tussen Israël en de Palestijnen beïnvloedt.

Er zijn zeer veel verklaringen geopperd voor het onvermogen van opeenvolgende Amerikaanse regeringen om die vrede te verwezenlijken, maar het antwoord ligt besloten in de woorden van Morsi. Waarom zou iemand vrede sluiten met bloedzuigers en de afstammelingen van apen en varkens?

Miljoenen moslims zijn geconditioneerd om Joden niet alleen als de vijanden van Palestina te beschouwen, maar ook als de vijanden van alle moslims, van God en van de gehele mensheid. Arabische leiders die veel prominenter en invloedrijker waren dan Morsi hebben hele generaties onvermoeibaar bijgebracht dat Joden „het vuil van de mensheid, de ratten van de wereld, de schenders van pacten en overeenkomsten, de moordenaars van profeten en het nageslacht van apen en varkens zijn.” (Dit zijn de woorden van de Saoedische sjeik Abdul Rahman al-Sudais, imam bij de Masjid al-Haram moskee in Mekka.)

In 2011 kwam uit een peiling in Turkije naar voren dat slechts 4 procent van de geënquêteerden er ‘zeer gunstige’ of ‘enigszins gunstige’ ideeën over Joden op na hield; in Indonesië 10 procent, en in Pakistan 2 procent. Bovendien heeft 95 procent van de Jordaniërs, 94 procent van de Egyptenaren en 95 procent van de Libanezen ‘een heel ongunstig beeld’ van de Joden.

De afgelopen decennia hebben Israëlische en Amerikaanse regeringen onderhandeld met niet-gekozen Arabische despoten, die een dubbelspel hebben gespeeld. Zij kwamen de formele vredesverdragen na door geen militaire aanvallen op Israël uit te voeren. Maar zij gedoogden de haatzaaierij door fanatieke moslims tegen Israël, het zionisme en de Joden.

Naarmate fanatieke moslims hun invloed via civiele instellingen wisten te verspreiden, kregen jonge mensen de haat steeds meer met de paplepel ingegoten.

In het kielzog van de Arabische Lente, nu de mensen van hun nieuw verworven democratische rechten willen profiteren, verlangen ze dat hun leiders hun idealen in beleid omzetten.

Voor velen die voor hun eigen bevrijding hebben gevochten is een van deze idealen het einde van de vrede met Israël. De Verenigde Staten moeten aan Morsi duidelijk maken dat dit geen optie is.

Dit is ook een unieke kans voor de seculiere bewegingen in de regio, die zich moeten uitspreken tegen de haatzaaierij van de geestelijkheid. Het is hoog tijd dat deze seculiere bewegingen een tegencampagne van tolerantie opzetten.

Ayaan Hirsi Ali is verbonden aan het Future of Diplomacy Project van het Belfer Center aan de Kennedy School van de Universiteit van Harvard, en auteur van diverse boeken. ©The New York Times.