Heb mededogen met de verliezers in de politiek

Joe Biden was een jaar of acht, negen. Een lefgozertje. Hij heette toen nog Joey, maar de andere kinderen noemden hem Bye-Bye, want hij stotterde en zo klonk het als hij zijn achternaam wilde zeggen.

Een vriendje van Joey, later een keurige huisvader en rechter geworden, daagde hem uit om onder een rijdende vrachtauto door te rennen. Het was een volgeladen kiepauto, die langzaam achteruit reed. Joey was een klein ventje, watervlug. En hij deed het: van de zijkant, tussen de voor- en de achterwielen, onder de as door en, vlak voordat een van de voorwielen hem raakte, er weer onder vandaan.

Het vriendje, dat een jaar of vier ouder was, vertelde tientallen jaren later dat hij zich er nog altijd voor schaamde. Maar hij had nooit gedacht, echt nooit, dat de kleine Biden het zou doen. Als de as hem geraakt had, was hij er geweest.

Het is een van de vele onvergetelijke en veelzeggende verhalen over Biden en andere Amerikaanse politici die de journalist Richard Ben Cramer vertelt in zijn meesterwerk What It Takes; The Way to the White House, een meer dan 1.000 pagina’s tellend monster van een boek over de presidentsverkiezingen van 1988. Het verscheen in 1992, toen eigenlijk niemand zich meer interesseerde voor de campagne van ’88. Maar onder journalisten werd het een klassieker.

Haarfijn en met veel psychologisch inzicht en taalgevoel portretteerde Cramer de kandidaten. Hij leefde zich volkomen in hen in, hij nam zelfs de eigenaardigheden in hun taalgebruik over. En hij liet zien hoe deze zes mannen hun leven jarenlang in het teken hadden gesteld van die ene, brandende ambitie: president te worden.

Joe Biden is het niet gelukt, net zo min als al die andere politici die elke vier jaar weer afvallen in de voorverkiezingen of verslagen worden in de presidentsverkiezingen. Maar Biden staat vandaag tenminste wel op de trappen van het Capitool, zij het om voor de tweede keer geïnaugureerd te worden als vicepresident. Ook niet gek voor zo’n schoffie. De meeste andere verliezers in de afvalrace zijn snel weer vergeten.

Neem de misoogst van het afgelopen seizoen: Rick Santorum, Newt Gingrich, Rick Perry, Michele Bachmann, Ron Paul, Jon Huntsman, Herman Cain en niet te vergeten Mitt Romney – de meesten leven hoogstens nog als karikaturen voort in de media. Want tja, wie houdt er nou van losers?

Richard Ben Cramer, die eerder deze maand op 62-jarige leeftijd overleed, hield van vrijwel al die politici over wie hij schreef. Niet omdat hij zo dol was op hun politieke ideeën. Ook niet omdat hij zo gevoelig was voor macht of charisma. Maar hij had zich zo intens verdiept in de levens van de kandidaten, was zo nauw met ze opgetrokken, had hun schoolvriendjes opgezocht en was nagegaan hoe ze onderhandeld hadden bij de aankoop van hun huis, dat hij ze was gaan zien als de mensen die ze waren. Stuk voor stuk bijzondere mensen – anders begin je niet aan zo’n campagne en houd je het ook niet vol – maar wel mensen van vlees en bloed, en interessanter dan menige romanfiguur.

Het mededogen, en soms zelfs de warmte, waarmee Cramer over politici schrijft, zie je nog maar zelden. Zeker verliezers hoeven niet op clementie te rekenen. Dat is jammer. Verliezers kunnen terugkomen – zie Joe Biden. En dan helpt het als je ze begrijpt – zoals Biden ooit over zijn huis onderhandelde, zo zie je hem nu opereren in het Congres. Maar ook als verliezers niet terugkomen, zijn ze vrijwel altijd boeiende personages, die jaren van hun leven aan de publieke zaak hebben gegeven.

De campagne van 1988, die Cramer beschrijft, werd gewonnen door George H.W. Bush, de vader. Maar in het nawoord bij de pocketeditie is er alweer een volgende ronde voorbij, en is Bush verslagen door Clinton. Bush heeft zijn best gedaan, constateert Cramer weemoedig.

Wie Obama na vier jaar ziet, ouder en grijzer en wijzer, beseft hoe ook hij, net als al zijn voorgangers, probeert van een helse klus het beste te maken. Hij heeft twee keer gewonnen, maar of hij als winnaar of verliezer de geschiedenis in gaat, hangt af van de komende jaren.

    • Juurd Eijsvoogel