Zomaar wat studeren kan niet meer

Jet Bussemaker zei vorig jaar nog geen minister te willen worden, maar „deze kans was te mooi”. Ze pleit voor een cultuuromslag in het onderwijs: „We moeten af van docenten en studenten die het allemaal wel best vinden.”

Jet Bussemaker is terug in Den Haag. Terug van maar heel even weggeweest. Het is de politiek wederom gelukt haar weg te lokken van haar eerste liefde: de dagelijkse praktijk van wetenschap en hoger onderwijs.

Bussemaker werd in maart 2011 lid van het college van bestuur van de Universiteit van Amsterdam en de Hogeschool van Amsterdam (HvA), als rector van de HvA. Ze had er zin in. Er was werk te doen op de grootste hogeschool van Nederland.

Maar toen viel het kabinet-Rut-te I, won de PvdA bijna de verkiezingen en kreeg ze een aanbod dat wel heel aanlokkelijk was. Ze kon minister worden van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. „Ik stelde mezelf de vraag: ga ik de komende jaren toekijken hoe andere mensen het onderwijs vormgeven en voer ik dat uit, of ga ik het zelf doen?”

De vraag stellen, was hem beantwoorden. Ze keerde terug naar Den Haag en werd verantwoordelijk voor het hoger onderwijs, middelbaar beroepsonderwijs en cultuur. En dat terwijl ze het in 2010, naar eigen zeggen, helemaal had gehad met de politiek na de val van het kabinet-Balkenende IV, waarin ze staatssecretaris was.

Ze stelde zich geen kandidaat voor de daaropvolgende verkiezingen, die leidden tot de vorming van het eerste kabinet-Rutte. Bussemaker keerde liever terug naar de UvA, waar ze, voordat ze de Tweede Kamer betrad, als politicoloog een kleine vijftien jaar als onderzoeker en docent werkzaam was geweest.

In een interview met het Amsterdamse universiteitsblad Folia zei u vorig jaar dat u geen minister wilde worden. En nu bent u het toch. Wat is er gebeurd?

„Diederik Samsom belde me kort voor de verkiezingen op, volgens mij op de avond nadat ik dat gesprek met Folia had gehad. Hij zei dat hij twee vragen had waarop ik geen nee mocht antwoorden: of ik beschikbaar was als minister en of ik beschikbaar was als informateur. Hij had Wouter Bos als informateur op het oog voor een eventuele formatiepoging met de VVD en mij als het om een formatie met CDA, SP of GroenLinks zou gaan.

„Ik zei dat ik het een interessant aanbod vond. Het zag er toen nog niet naar uit dat de PvdA zo groot zou worden, maar ik heb op mijn werk geregeld dat ik verlof kon nemen als het inderdaad tot zo’n formatie over links zou komen.

„Diederik belde de dag na de verkiezingen opnieuw. Hij zei: als informateur heb ik je niet nodig, maar des te harder als minister. Tot vlak voor de verkiezingen had niemand er rekening mee gehouden, maar het was nu mogelijk een kabinet te vormen met twee partijen. Dat veranderde de situatie. Ik had graag mijn termijn bij de HvA afgemaakt, maar deze kans was te mooi.”

Er was onlangs ophef over de bezoldiging van een aantal bestuurders in het hoger onderwijs, die ruim boven het ministerssalaris lag. U bent in een unieke positie om hierover een oordeel te vellen. Wie werkt er harder: een onderwijsbestuurder of een minister?

Ze lacht. „Een bestuurder in het hoger onderwijs moet hard werken en heeft een grote verantwoordelijkheid. Maar ik maak nu meer uren dan een jaar geleden. Je hebt als minister meer verplichtingen, er is meer hectiek. Je staat soms ’s nachts in de Tweede Kamer te debatteren. Dat had ik op de HvA niet.”

Uw voorganger, minister Marja van Bijsterveldt, vond dat ouders meer betrokken moesten zijn bij hun schoolgaande kinderen. Lukt u dat met uw dochter, nu u het zo druk heeft als minister?

„Ja hoor, je kan je eigen tijd plannen. Ik moet veel lezen; dat doe ik ’s avonds of in de auto. Toen ik staatssecretaris was, heb ik mijn dochter elke ochtend naar school gebracht. Dat wil ze nu niet meer. Dat scheelt.

„Maar natuurlijk, soms loopt het mis, net als bij andere werkende ouders. Ik had in december een tienminutengesprek op school op de dag dat ik in de Tweede Kamer de begroting van mijn ministerie moest verdedigen. Dat debat liep uit en ik kwam ook nog in de file terecht. Toen was ik dus te laat. Mijn dochter zei: dat mag niet nog een keer gebeuren.”

Hoe ziet u zichzelf: als een wetenschapper in de politiek, of als een politicus die ook enige tijd in de wetenschap en het onderwijs actief is geweest?

„Die twee kanten van mijn persoonlijkheid zijn constant met elkaar in gesprek. Omdat ik zelf zo lang in het onderwijs heb gewerkt, realiseer ik me dat niet alles wat in Den Haag verzonnen wordt, altijd de gewenste uitwerking heeft. Daarom moeten politici zich telkens afvragen: wat willen we bereiken met ons beleid?

„Een voorbeeld: afgelopen donderdag concludeerde de Algemene Rekenkamer dat het middelbaar beroepsonderwijs gebukt gaat onder grote administratieve druk omdat scholen moeten bijhouden of ze jaarlijks aan de verplichte 850 uur les komen. Waarom hebben we die urennorm ooit ingesteld? Omdat we wilden dat mbo-leerlingen goed onderwijs krijgen. Dat moet dus het doel zijn, niet het halen van het voorgeschreven aantal uren.”

Worden er te veel wetten en regels voor het onderwijs gemaakt?

„Het valt mij op dat de sector goed in staat is zichzelf te hervormen. Neem de kwestie met de onterecht verstrekte diploma’s op Inholland. Dat speelde ruim twee jaar geleden. De wet die naar aanleiding van deze affaire is gemaakt, ligt nu bij de Tweede Kamer. Hierin wordt een strengere kwaliteitscontrole geregeld. Maar op Inholland, en ook elders, zijn mensen allang bezig met het verbeteren van het toezicht.

„Als ik één ding heb geleerd als politicus en bestuurder, dan is het wel dat het voeren van een goed gesprek vaak beter is dan meteen weer tot nieuwe wetgeving komen. Wat dat betreft, prijs ik me gelukkig met de Kamerleden die op dit moment het woord voeren over onderwijs. Die roepen niet bij elke incident, zoals bijvoorbeeld laatst bij Amarantis, om nog meer controle.”

De reputatie van het Nederlandse onderwijs heeft de afgelopen jaren een paar flinke klappen gehad. U noemde de affaires bij Amarantis en Inholland. Gaat het inmiddels beter?

„We hebben in Nederland heel goed onderwijs. Dat merk je aan alle internationale lijstjes, waarop we hoog staan. Op dit moment zijn er geen scholen waar ze er op instellingsniveau een potje van maken, voor zover ik weet.

„Maar dat neemt niet weg dat er een tijd is geweest dat op sommige scholen gewoon niet de juiste bestuurders zaten. Die waren ongeschikt voor de publieke sector. De voormalige bestuurders van Inholland en Amarantis staan daar symbool voor. Die dachten dat een school een bedrijf was. En de kwaliteit van het onderwijs bungelde onderaan het lijstje met prioriteiten.”

Was dat alleen het geval op deze twee instellingen?

„Nee. Dat viel me op toen ik in 2011 van de politiek terugkeerde in het hoger onderwijs. Veel studenten die graag wilden leren, werden onvoldoende uitgedaagd. Het wordt studenten te makkelijk gemaakt om ongeïnteresseerd in de collegebanken te hangen. De zesjescultuur is echt de norm geworden. Tot grote frustratie van de studenten die er wel alles uit willen halen.

„Op mijn colleges had ik vroeger natuurlijk ook wel eens ongemotiveerde studenten. Maar dan zei ik: wie het niet interessant vindt, kan nu weggaan. Dan gaan we door met de mensen die wel wat willen doen.

„Ik ben er echt van geschrokken hoeveel van dat soort weinig gemotiveerde studenten er tegenwoordig in de collegezaal zitten. De niet goed voorbereide, soms ook ongeïnteresseerde student is te veel de norm geworden. Dat deugt niet.”

Komt dit niet omdat het hoger onderwijs in Nederland er op gericht is zoveel mogelijk mensen op een gemiddeld, voldoende niveau te krijgen?

„Het is belangrijk dat het hoger onderwijs bereikbaar is voor iedereen die de capaciteiten heeft. Dat heb ik gezien op de HvA. Die school is de emancipatiemotor van Amsterdam. Al die jongeren, allochtoon of niet, die als eerste van hun familie hoger onderwijs volgen: prachtig.

„Maar daar mag het niet bij blijven. Studenten die meer in hun mars hebben, moet je de kans geven zich verder te ontplooien: met een honours class of andere excellentietrajecten. Docenten moeten hun ogen openhouden en dit soort talent er uitpikken. Juist die allochtone studenten zijn vaak bijzonder gemotiveerd. Die willen helemaal geen genoegen nemen met een zes.”

Het hoger onderwijs moet voor iedereen toegankelijk zijn. Toch ging de ministerraad gisteren akkoord met uw aanpak voor de invoering van een leenstelsel. Zal de afschaffing van de basisbeurs niet juist de kinderen uit minder welvarende gezinnen ervan weerhouden te gaan studeren? Tegenstanders van de maatregelen spreken van leenangst.

„Als politici de hele tijd roepen: wat vreselijk, wat vreselijk, wat zullen studenten bang worden, dan creëren we die leenangst zelf. Het is aan mij als minister om goed uit te leggen dat je niet van een studie moet afzien vanwege het sociaal leenstelsel dat we gaan invoeren. Je leent geld tegen een zeer laag tarief, en dat betaal je later terug naar draagkracht.

„Hopelijk draagt deze maatregel er wel toe bij dat jongeren langer nadenken voordat ze een studie kiezen. Past die opleiding wel bij me; kan ik niet beter iets anders gaan doen? Het idee dat je zomaar wat gaat studeren en dat de overheid het allemaal wel betaalt, daar moeten we echt een eind aan maken.”

Studenten maken er bezwaar tegen dat niet al het geld dat met het leenstelsel wordt opgehaald weer in het hoger onderwijs wordt geïnvesteerd.”

„Het is nog helemaal niet duidelijk wat er met dat geld gaat gebeuren. De komende maanden ga ik daarover in gesprek met de Tweede Kamer én met de studentenorganisaties. Maar het staat voor mij vast dat de 800 miljoen euro die deze maatregel uiteindelijk opbrengt, in de kwaliteit van het onderwijs wordt gestoken. Die komen niet in een potje terecht waarmee ik zo nu en dan een tegenvaller kan opvangen.

„Voor het hoger onderwijs is het ook van belang dat de kwaliteit van het voortgezet onderwijs in orde is. Dat begrijpen studenten. De tijd die bijvoorbeeld nu verloren gaat met het bijspijkeren van de gebrekkige taalvaardigheid van scholieren, kan op hogescholen en universiteiten veel beter worden besteed.”

U heeft de invoering van de verplichte taal- en rekentoets onlangs moeten uitstellen tot het schooljaar 2015/2016, omdat anders te veel leerlingen zouden zakken voor hun eindexamen. Wat vindt u daarvan?

Voor het eerst in het gesprek valt Bussemaker even stil. „Dat is heel erg. En helemaal omdat dat deels komt omdat sommige van de leraren die afgelopen jaren van de lerarenopleidingen en de pabo kwamen, zelf niet goed kunnen rekenen en spellen. Dat hebben we met elkaar enorm laten verslonzen. Je kunt dit die docenten ook niet aanrekenen: wij hebben ze zo opgeleid. Ik voel een grote zorg voor de pabo’s. Die leiden de mensen op die al onze toekomstige generaties moeten gaan opleiden. Het was de eerste conclusie die ik trok toen ik op de HvA was begonnen, na twee weken al. Dit gaat helemaal niet goed. We moeten echt meer eisen stellen aan wat leraren kennen en kunnen. Dat gaat dit kabinet ook doen.”

De afgelopen jaren zijn de eisen al aangescherpt. Prompt daalde het aantal aanmeldingen.

„Die slinger kan ook zo de andere kant opzwaaien. Als mensen in de gaten krijgen dat er iets interessants gebeurt op de pabo – dat je daar echt wordt uitgedaagd – dan wordt het hopelijk juist aantrekkelijker om die opleiding te volgen.”

Wat moet minister Bussemaker bereiken zodat docent Bussemaker, mocht ze ooit terugkeren naar de universiteit, haar werk zo goed mogelijk kan doen?

„Dan kom ik toch uit op de cultuuromslag die nodig is. We moeten af van studenten – én docenten – die het allemaal wel best vinden. Iedereen moet het maximale uit zichzelf halen. Wie dat niet wil, moet zijn heil maar elders zoeken.”

Harder werken, presteren, afrekenen op prestaties: het lijkt wel alsof ik een VVD-politicus hoor.

„Hoezo? Een PvdA’er kan ook kritisch zijn over de kwaliteit van het onderwijs. Mijn partij wil dat iedereen de kans krijgt om iets van zijn leven te maken. Maar van pamperen moet ik niets hebben. Nee hoor. Hup, aan de slag!”

    • Bart Funnekotter