Waar zijn mijn ijsprikkers?

Wanneer kunnen we? De natuurijsschaatser geeft zich over aan intuïtieve wiskunde.

foto Johannnes van Assem 20-12-2007, Polder tussen Voorschoten en Wassenaar Mensen schaatsen op natuurijs op een sloot in de polder.

Het begint als de weermannen vorst aankondigen, na maanden van seizoensoneigen lauwheid. Met brede glimlach wijzen ze op hogedrukgebieden die vanuit het noorden oprukken, en zeggen dan ook nog dat het stabiel is.

Pretoogjes bij de weermannen, omdat ze weten dat op dat moment in honderden, duizenden huiskamers mensen opveren uit hun januarilethargie. Tenminste één week kou! Dat is genoeg om in elk geval ergens te schaatsen – als het tenminste niet op het verkeerde moment sneeuwt, en niet te hard waait, en...

Het is begonnen, het licht gespannen afwachten en zinloos vaak weersites bekijken. Net als het turen in de agenda – welke afspraken kunnen zonder al te veel schade worden afgezegd, en vanaf wanneer heeft dat zin? Wat weer afhangt van hoe dicht bij huis je kunt schaatsen, wat weer afhankelijk is van het weer, dat vervolgens bepaalt hoeveel haast je hebt – die neemt toe met de verwachting van dooi.

De belofte van natuurijs in Nederland zet schaatsers aan tot de beoefening van een soort intuïtieve wiskunde, waarbij weersverwachting, ijsgroei, werkverplichtingen, beschikbaarheid van oppas en risicobereidheid tegen elkaar worden afgewogen om de eerste tocht te plannen.

Het is particuliere wiskunde; de weging van de factoren verschilt nogal per persoon. Er zijn ambitieuze, plichtsgetrouwe mensen die zelfs stevige verplichtingen opzij zetten als er geschaatst kan worden, met als motto: in tijden van vorst is alles geoorloofd. Dat zijn overigens vaak dezelfde mensen die het geen probleem vinden dat het ijs zo dun is dat het golft als ze erover heen gaan, en die echt kunnen genieten van het typische zingende gekraak van dun ijs. Een nat pak hoort erbij.

Wat onlosmakelijk hoort bij schaatskoorts is informatiehonger. Zeker vanuit de Randstad kun je niet volstaan met naar de waterkant lopen en even voelen – de Randstad is niet waar het gebeurt. Stond er maandag nog een eenzaam groen speldje op de natuurijskaart van ijswatcher Erik Ekkel, in de loop van de week kwamen daar aarzelend spelden bij – allemaal noordelijk van de sneeuwgrens van afgelopen dinsdag. Weerstation De Arend, dat Ankeveen, Kortenhoef en Loosdrecht bijhoudt, verklaarde diezelfde dinsdag Ankeveen en Kortenhoef als verloren voor deze vorstperiode. Te veel sneeuw op te dun ijs. In Loosdrecht sneeuwde het in het water, dat kan nog goed komen. En dan zijn er de schaatsfora, waar je afgunstig kunt nalezen waar mensen al hebben geschaatst. Een schaatser plaatste daar ook een overzicht van het aantal vorsturen per regio: één punt per graad vorst per uur – bij 220 vorsturen kun je aan schaatsen gaan denken, schrijft hij.

Vlak ook de tamtam van het eigen netwerk niet uit. Als het vriest, bel je altijd dezelfde mensen. Zoals je vriend de amateurmeteoroloog die weet te vertellen dat het dinsdagnacht in het midden van het land bijna 20 graden heeft gevroren en dat de KNMI de minimumtemperatuur te conservatief had ingeschat. En dat alle modellen, Europees én Amerikaans, na het weekend nog vorst voorspellen. Hij is ook even langs de Nieuwkoopse plassen gereden, om te kijken hoe de lokale ijsbaan en de vaarten er bij liggen (slecht) en of de plassen zelf besneeuwd zijn (niet). „Daar is nog hoop voor het weekend.”

Al eerder in de week kwamen er hoopgevende berichten in het nieuws: in Friesland zijn de gemalen uit en is de scheepvaart stilgelegd – behalve de beroepsvaart.

Dan wordt het langzaamaan tijd om je uitrusting bij elkaar te scharrelen. Waar zijn toch die ijsprikkers waarmee je jezelf uit een wak kunt redden en die eindeloos in de gang slingerden? Schaatsen nog een keer laten slijpen en jezelf voor de zoveelste keer uitfoeteren omdat je niet vorig jaar ná het seizoen met korting die fijne toerschaatsen met afklikbare ijzers hebt gekocht. Nu is er geen tijd voor, of kun je achteraan aansluiten en de hoofdprijs betalen. Dan nog maar een jaar op de vertrouwde leren noren rijden.

Het heeft ook iets tragisch. Met het warmer worden van de winters – deze december kon goed doorgaan voor een gemiddelde maart, inclusief opkomend groen en vogelzang – worden de schaarse, korte vorstperiodes omarmd met een geestdrift die langzaamaan iets desperaats krijgt. Al die schaatslust, botgevierd in steeds kortere periodes. En op steeds dunner ijs. Want begon je vroeger aan schaatsen te denken als het ijs tenminste één koek-en zopietent kon houden, nu is een paar dagen vorst al genoeg voor hoge koorts. Snel, snel, voordat de dooi weer invalt.