Vallen, ook dat is shorttrack

Bij de EK shorttrack viel Jorien ter Mors in haar eerste race, maar de titel gaf ze nog niet op. Vallen hoort bij de sport, vindt ze. Bij de mannen haalde Sjinkie Knegt direct goud.

Niels Kerstholt (links) ligt iets voor op Sjinkie Knegts bij de finale van de 1.500 meter. Knegt won de race, Kerstholt behaalde zilver. Foto AP

Van een kolkend, stampvol Thialf naar een koud, nagenoeg leeg Isstadion in Malmö. Groter kon het contrast niet zijn voor Jorien ter Mors. Zeker niet toen ze vrijdagmiddag direct na de opening van de EK shorttrack plat op het ijs lag, uit balans gebracht door een andere rijdster. „Dit hoort bij shorttrack”, sprak ze even later in de catacomben, berustend in haar lot. „Als je hier niet mee kunt omgaan moet je een andere sport gaan doen.”

In plaats van te treuren over haar uitglijder keek Ter Mors, in een paar maanden uitgegroeid tot het goudhaantje van het Nederlandse schaatsen, liever vooruit in het toernooi dat ze in haar agenda dubbel heeft onderstreept. Vorig jaar werd ze in het Tsjechische Mlada Boleslav tweede op het EK, achter de Italiaanse Arianna Fontana. Dit jaar had Ter Mors zich voorgenomen haar eerste Europese titel te halen. Voor ‘Malmö’ zegde ze zelfs het EK allround (langebaan) van vorige week in Thialf af.

Een valpartij helpt haar zaak niet, maar anders dan bij een langebaantoernooi is het op een EK shorttrack niet bij voorbaat fataal. Bij de vier afstanden (500, 1.000, 1.500 en 3.000 meter) worden niet de eindtijden bij elkaar opgeteld, maar punten verdeeld: 34 punten voor de winnaar van een afstand, 21 voor de nummer twee, en 13 voor de nummer drie. „Het is nog lang niet gedaan”, zei Ter Mors dan ook. „Er zijn nog drie keer 34 punten te halen. Ik heb de knop meteen omgezet.”

Valpartijen horen bij het spektakel dat shorttrack heet. Wie aan deze sport begint, leert vanaf dag één dat een rondje van 111 meter wel heel erg krap is voor zes schaatsers die allemaal vooraan willen eindigen. Wereldberoemd werd de gouden medaille die de Australische shorttracker Steven Bradbury in 2002 haalde op de Olympische Spelen van Salt Lake City. Hoewel hij in de finale veruit de zwakste schaatser was werd hij olympisch kampioen omdat de vier koplopers elkaar in de allerlaatste bocht in de boarding reden.

Ook dat is shorttrack. Ter Mors was even niet aanspreekbaar toen ze na haar valpartij van het ijs kwam, uitgeschakeld voor de halve finale van de 1.500 meter – misschien wel haar beste afstand. Maar na een paar oerkreten in de catacomben brak alweer een glimlach door op haar gezicht.

„Natuurlijk herpak je je als shorttracker snel”, zei bondscoach Jeroen Otter over zijn beste schaatsster. „Moet je dan gaan huilen? Dit heb je als je met zes man op een vierkante meter rijdt. Dit is gewoon de sport. Ik denk één keer: fok – en dan is het weer voorbij. Als je daar lang mee blijft zitten krijg je heel veel grijze haren.”

Niet iedereen accepteert de grillen van het shorttrack zomaar. De Amerikaan Shani Davis is in zijn hart een veel grotere fan van shorttrack dan van langebaanschaatsen, wat hij eens vergeleek met kijken naar opdrogende verf. Toch stapte hij over naar de 400-meterbaan omdat hij de uitslag van een shorttrackrace te vaak een loterij vond. Davis is niet de enige. Ook de Let Haralds Silovs, Europees kampioen shorttrack in 2008 en 2011, koos mede om die reden voor de veilige omgeving van de langebaan.

Voor Ter Mors geldt feitelijk het omgekeerde. De 23-jarige Twentse heeft dit seizoen alle reden heeft om de overstap te maken. Tot verbazing van schaatsend Nederland kaapte ze vlak voor nieuwjaar de nationale allroundtitel weg voor de neus van Ireen Wüst, met drie afstandszeges. Maar voor Ter Mors is en blijft de langebaan een trainingsvorm voor haar échte sport. Een keer vallen door een duwtje hoort juist bij de charmes van de sport. En die onvoorspelbaarheid is precies wat ze mist op de langebaan. „Bij shorttrack komt zoveel meer kijken: tactiek, het spelletje, de interactie met andere schaatsers.”

De Nederlandse mannen lieten na de valpartij van Ter Mors die andere kant zien. In superieure stijl plaatsten Sjinkie Knegt, Niels Kerstholt en Freek van der Wart zich voor de finale van de 1.500 meter. Daarin zag het er even naar uit dat de Nederlanders alle medailles zouden halen, maar Van der Wart viel in de laatste ronde terug naar de vierde plek. Het goud was voor Knegt, regerend Europees kampioen, het zilver voor nationaal kampioen Kerstholt.

Daarmee lijkt Knegt de vormcrisis waarmee hij de laatste weken worstelde van zich af te hebben geschaatst. Op de NK in Amsterdam werd hij twee weken geleden vier keer kansloos verslagen door zijn ploeggenoot Kerstholt. „Ik ben hier blij mee”, zei hij na afloop. „Het gaat mij eigenlijk altijd voor de wind. Als het dan een keer minder gaat moet je daar ook mee leren omgaan.”

De ploeg van bondscoach Otter deed ook goede zaken op de aflossing, een teamonderdeel. Zowel de Nederlandse mannen als de vrouwen plaatsten zich eenvoudig voor de halve finale. Beide teams zijn al twee jaar in het bezit van de Europese titel.

    • Rob Schoof