Schepen in het ijs, pinguïns in de pan

John Harrison Forgotten Footprints. Lost Stories in the Discovery of Antarctica. 464 blz. Parthian Books €21,–

Arme bemanning die op een Zuidpoolexpeditie de zeilen moest bedienen. Katrollen vol ijs waardoorheen bevroren lijnen getrokken worden door ijskoude handen. IJspegels die als messen naar beneden vallen uit het want. Ja, ook met motorschepen kun je veel ontberingen lijden – de ervaringen van Shackleton en zijn in 1915 door het ijs gekraakte Endurance zijn gruwelijk. Maar zo lang de motor het doet, maakt het schip meer kans in de strijd met het zee-ijs.

Tussen ijsbergen manoeuvreren met een groot zeilschip is bijna onmogelijk. “Het leek alsof we door de nauwe straten van een stad vol reuzen voeren”, zo beschrijft de Franse ontdekkingsreiziger Jules Dumont d’Urville die situatie tijdens zijn geheel gezeilde Zuidpooltocht in 1838. Er waren wel trucs: als het echt moeilijk werd bracht Dumont per sloep een anker naar een nabije ijsberg en trok dan het schip aan de ankerketting voort met de kaapstaander (scheepslier). In de zeiltijd namen zeekapiteins daarom wel veel minder risico’s dan later. De eerste gedwongen overwintering gebeurde pas in 1898 toen Baron Adrien de Gerlache met zijn motorschip Belgica te ver het ijs invoer. Zijn bemanning verdacht hem er overigens van dat hij dat expres deed. Modern is dat Gerlache toen liever geen pinguïns wilde slachten – hoewel dat daar allang de culinaire gewoonte was. Gerlache was bang dat dit slecht zou vallen bij de publieke opinie thuis.

John Harrison beschrijft het allemaal in zijn mooie boek over de minder bekende zeetochten in het zuidpoolgebied. Scott komt alleen zijdelings voor, en Amundsen vooral als bemanningslid van de vastgevroren expeditie van Gerlache.

Harrison heeft jaren als gids gewerkt in het gebied. De paar keer dat hij vertelt hoe hij er met zijn vijf meter lange Zodiac-boot rondvaart om toeristen aan land te zetten, vormen een mooi tegenwicht tegen de verbluffende traagheid waarmee in de negentiende eeuw het gebied in kaart werd gebracht. Wat hetzelfde is gebleven is de eerste reactie op het rauwe zuidpoollandschap: ontzag, angst en bewondering.

De beroemde ontdekkingsreiziger James Cook had rond 1775 Antarctica kunnen ontdekken, maar toen was er toevallig zoveel zee-ijs dat hij nooit dichtbij genoeg kwam. Het scheelde 120 km. De eer ging toen naar de vrijwel onbekende William Smith. Hij was een Amerikaanse handelaar op Zuid-Amerika die uit interesse ook het barre zuiden verkende. In februari 1819 zag hij er voor het eerst land: de Zuid-Shetlandeilanden (zo genoemd omdat ze op dezelfde breedtegraad liggen als die andere Shetlandeilanden). Bij een volgende reis, in oktober 1819, zette hij voet aan wal, op Ridley Island. Zijn verslag is volgens Harrison het meest laconieke van alle eerste betredingen van een nieuw continent: “Omdat het weer goed was, lieten we de boot neer en slaagden in een landing. Het was kaal en bedekt met sneeuw. Overal zeehonden. Toen de boot weer veilig terug was, hesen we de zeilen.”

Die jaren was het zelfs druk op de Zuidpool. De piepjonge Nathaniel Palmer (22) commandeerde er het slechts veertien meter lange schip Hero op zoek naar zeehondenstranden. In december 1820 lag het schip ’s nachts stil in zeer dichte mist vlak bij het Antarctisch schiereiland, ter hoogte van Mount Hope. Ook in die verlatenheid sloeg Palmer tijdens zijn wachtdienst om half een één maal op de mistbel. “Voorbij de boeg hoorde hij toen een tweede bel”, zoals een later verslag vertelt. Palmer dacht dat hij droomde. Tot hij om één uur opnieuw sloeg: twee keer. Weer twee slagen ten antwoord. En zo verder. De bemanning ging geloven in een bovennatuurlijke ervaring. Maar om half vier hoorde de stuurman stemmen. In een vreemde taal. Toen de mist optrok, doemde aan stuurboord een 40 meter lang fregat op: het Russische marineschip Vostok onder bevel van Fabian von Bellingshausen.