Poep wijst weg naar afgezonderde pinguïnkolonie

Een van de leden van het Belgische onderzoeksteam (links), en de ontdekte kolonie keizerpinguïns. Foto International Polar Foundation/Alain Hubert.

Drie teamleden van het Belgische onderzoeksstation op Antarctica hebben vorige maand een nieuwe kolonie keizerpinguïns in levende lijve gezien. De kolonie telt zo’n 9.000 dieren en is aangetroffen in het noordelijke kustgebied Princess Ragnhild, op 250 kilometer van het onderzoeksstation.

Keizerpinguïns (Latijnse naam: Aptenodytes forsteri) komen elk jaar rond april met duizenden bij elkaar, waarna elk paar één ei uitbroedt. De vogels verzamelen op plekken aan de rand van de kust, op zee-ijs. In de loop van december, vlak voor het ijs opbreekt, zwermen de jongen uit.

Dat er in het kustgebied Princess Ragnhild een kolonie keizerpinguïns moest zitten, had Brits onderzoek eerder al uitgewezen. Daarbij was op basis van satellietbeelden van Antarctica gezocht naar plekken met de typische bruine poep van de keizerpinguïn. De uitwerpselen vallen goed op in het witte zee-ijs, dat verder geen verontreinigingen bevat – in tegenstelling tot landijs, waar puin en gruis in kan zitten.

De Britse poolonderzoekers kwamen in 2009 voor heel Antarctica op 36 kolonies. In een vervolgonderzoek in 2011 kwamen ze op een hoger aantal, 46 kolonies, die samen naar schatting 600.000 keizerpinguïns tellen (PLOS ONE, 13 april 2012).

De drie teamleden van het Belgische onderzoeksstation waren in het kustgebied Princess Ragnhild als deelnemers van een internationaal onderzoek naar de invloed van klimaatverandering op het smelten van poolijs. Ze waren daarvoor bij de Derwael Ice Rise, een 400 meter hoge ijsverheffing. “Ik wist van satellietbeelden van vorig jaar dat er tientallen kilometers ten oosten van de ijsverheffing een kolonie keizerpinguïns kon zitten”, liet de Belgische teamleider Alain Hubert in een commentaar weten. “Sinds we het onderzoek waren gestart langs de kust van Princess Ragnhild kwamen we ook zoveel individuele keizerpinguïns tegen, dat ik besloot een weg te forceren naar die onbekende plek.”

Na een reis van vijftig kilometer zagen de drie poolreizigers – naast Alain Hubert ook nog technicus Kristof Soete en de Zwitserse berggids Raphael Richard – de eerste groepen keizerpinguïns. “Het was bijna middernacht toen we erin slaagden ons een weg langs gletsjerspleten te banen, naar het ijs. We naderden de eerste vijf groepen van meer dan duizend individuen, waarvan driekwart kuikens. Het was een onvergetelijk moment.”

Bij de keizerpinguïn broeden eerst de mannetjes het ei een tijdje uit. Ze houden het op hun poten en beschermen het zo tegen de kou. De vrouwtjes zoeken in de maanden mei en juni naar voedsel. Terwijl de mannetjes het ei uitbroeden trotseren ze temperaturen van -50 °C en windsnelheden van 200 km/uur. De mannetjes zijn bijna in gewicht gehalveerd als het vrouwtje terugkeert met voedsel. Daarna wisselen het vrouwtje en mannetje van rol.

Wetenschappers vrezen dat als gevolg van klimaatverandering het zee-ijs in de komende decennia vroeger zal opbreken. Kolonies zouden zich dan wellicht al verspreiden nog voordat de jongen op eigen benen staan. En dan verhongeren.

    • Marcel aan de Brugh