Opinie

Nieuwe luddieten

In het predigitale tijdvak sloegen grote jongens zich door het leven met een Zwitsers legerzakmes. Deze hele eeuw heb ik zo’n ding nog niet gezien. Het is tamelijk dik en er zit van alles in; een groot mes en een klein mesje, een kurkentrekker, een blikopener, een schroevendraaier, een vijltje, nog meer waarmee de Zwitserse soldaten de vijand afschrikten. Waarschijnlijk is dit legerzakmes een van de eerste multifunctionele dingetjes. Op grond daarvan is na de oorlog in Amerika de Leatherman ontwikkeld, ook met mesjes en veel meer dan het Zwitserse, onder andere een buigtangetje en een zaagje. Toen kwamen ze in Japan met de Factory for non-desk-workers. Zelfde formaat, maar met kantoorgereedschap: een schaartje, een vergrootglas en een nietapparaatje. Zo’n ding heb ik nog. De fabrikant heeft er het jaartal opgedrukt: 1986.

In deze tijd zou je die spulletjes tot de gadgets rekenen. Wat is een gadget? Mijn woordenboek zegt: een dingetje, snufje, uitvindsel. Vooral dat laatste woord vind ik treffend. Die verzamelingen voegen niets nieuws aan ons arsenaal van gereedschappen toe. Het nieuwe is dat een aantal gereedschappen in verkleinde vorm in een houdertje is gepropt waardoor de eigenaar een gevoel van almacht krijgt. Als er in de tijd van Daniel Defoe al Zwitserse zakmessen waren geweest, had Robinson Crusoe wel andere avonturen op zijn onbewoonde eilandje beleefd.

Met het aanbreken van het digitale tijdperk is er een nieuwe generatie gadgets ontstaan. Eerst kwam de walkman; een doosje waarin een geluidsbandje draaide. Via een draadje en een koptelefoon zat de eigenaar in het openbaar vervoer van de muziek te genieten, wat je kon zien aan de ritmische bewegingen van zijn hoofd. De walkman werd ouderwets. Er kwam iets wat veel kleiner was en de koptelefoon werd vervangen door oordopjes. Alleen dat hoofdknikken bleef. Intussen hadden we ook de mobiele telefoons gekregen, daarna de telefoons waarmee je kiekjes kan maken. Toen kwam de iPad, nog veel meer apparatuur met een schermpje dat je maar met één vinger hoeft aan te raken om een van de vele paradijzen te openen. Ik ben de tel kwijtgeraakt, ik heb genoeg aan mijn laptop met wifi en mijn Nokia-mobieltje uit 1998 dat feilloos werkt.

Het kan aan mijn leeftijd liggen, maar langzamerhand begon ik de pest te krijgen aan die onophoudelijke stroom van vernieuwingen die niets wezenlijks aan het bestaan toevoegden behalve de onuitgesproken dwang om het oude, het achterhaalde, af te danken, terwijl dat nog uitstekend bruikbaar was, me op mijn wenken bediende. Toen zag ik in de boekhandel het laatste nummer van The Economist, met op het omslag een foto van het beroemde beeld van Rodin: De Denker. Hij zit op een mooie witte klassieke wc en in een wolkje lezen we wat hij denkt: Will we ever invent anything this useful again? Ja, vraagt u dat wel! We staan er nooit bij stil, maar wat zou onze beschaving zijn zonder het watercloset? (dat dan weer afhankelijk is van de goed functionerende waterleiding, maar die hoort nu eenmaal tot de Schepping; daar rekenen we op)

De moderniteit is begonnen bij de uitvinding van de stoommachine. Daarmee was de grondslag gelegd voor de nieuwe vorm van industrie die tot uitbuiting van de fabrieksarbeiders heeft geleid, waardoor in het begin van de negentiende eeuw in Engeland de Luddieten-opstand is ontstaan. De Wikipedia, die geniale digitale uitvinding, geeft u de jaartallen en het tragische verloop van de beweging. Daarna is het niet meer opgehouden. We kregen de explosiemotor, de auto, het vliegtuig, de mitrailleur, dynamiet, elektrisch licht, grammofoon en radio, en nog niet zolang geleden de straalmotor. Ik ben nog in een vliegtuig met propellers over de Oceaan gevlogen. Daarna in een vliegtuig met straalmotoren. Zo leer je pas goed beseffen wat vooruitgang betekent.

Nu heeft de redactie van The Economist het gevoel gekregen dat het publiek in het Westen de vooruitgang moe is, en zoals we dat van het weekblad gewend zijn, volgde er een degelijk onderzoek dat weer in twee doortimmerde artikelen heeft geresulteerd. Conclusie: het kan zijn dat deze moeheid bestaat, maar dat is gevaarlijk, want daardoor wordt de innovatie belemmerd, en innovatie betekent groei en zonder groei moeten we ons voorbereiden op een nieuw tijdperk van gebrek en armoede. Innovatie dient de productiviteit, de medische wetenschap, het onderwijs. Kortom, de gewoonte om steeds meer uitvindingen te doen is de redding der mensheid. Het staat er iets uitvoeriger, maar dit is ongeveer de strekking.

Ze hebben gelijk. Maar er is ook een uitvindersbarok, de dwang om nieuwe apparaatjes, programma’s op de markt te brengen terwijl de oude je op je wenken bedienen. Dat wekt het verzet. Ik ben een digitale Luddiet.