Neurobiologie zet vraagtekens bij de vrije wil

Vorige maand oordeelde de rechtbank in Utrecht dat de hersens van een 69-jarige, verslaafde man ernstig in de war waren gebracht door een medicijn. De man kon niet meer stoppen met gokken door het middel Permax, dat hij tegen de ziekte van Parkinson moest innemen. De fabrikant meldde de bijwerking ‘gokverslaving’ pas vanaf 2006 in de bijsluiter. Het middel werd in 2011 van de markt gehaald. De man eiste een half miljoen euro schadevergoeding – de rechtbank achtte het causale verband bewezen. Deze gokker had geen vrije wil.

Inzichten uit de neurobiologie rukken op in het recht. Vorige maand promoveerde Sylco Hoppenbrouwers op hersenonderzoek bij veertig extreem gewelddadige gevangenen die voorwaardelijk vrij waren. Psychopaten met een zeer lage frustratiedrempel die snel woedend en agressief worden. Ze zijn „berucht om hun koude en manipulatieve wijze waarop ze met mensen omgaan”. Het hersengebied dat gedrag controleert, de prefrontale cortex, was bij de hele groep ernstig verstoord. De hersenafwijking maakte het hen bijzonder moeilijk om hun eigen impulsen en emoties onder controle te houden. Aan het eind van het onderzoek waren alle testpersonen inderdaad weer gearresteerd. Allemaal recidivisten. Hadden zij wel een vrije wil?

De strafrechter weegt de nieuwe kennis ook mee. De Friese Sietske H. uit Nij Beets, die haar vier baby’s om het leven bracht, kreeg van het hof in Leeuwarden in oktober een lagere straf. Geen twaalf jaar cel, maar drie jaar, plus tbs. Neurologisch onderzoek leverde een „hersenorganisch lijden” op, bekend als „frontaal syndroom”. Zij zou het normbesef en het geweten van een tienjarige hebben. Daarop vond het hof dat de stoornis de vrouw „in vergelijking met een gezond mens, in aanmerkelijke mate heeft beperkt in het overzien van de problemen waarvoor zij zich gesteld zag en het maken van keuzes om deze op te lossen”. Zij kon dus niet veel anders. De dader is patiënt.

Eind 2011 nam het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum een steekproef van 1.500 civiele zaken en zocht naar toepassing van neurobiologische kennis. In 300 zaken bleek het een rol te spelen. Soms vrij lineair – om hersenschade te kunnen beoordelen. Bijvoorbeeld bij de baby die zou zijn doodgeschud. Of hoe diep de coma van een slachtoffer eigenlijk is. Maar ook om gedrag juridisch te kunnen interpreteren. Was de bejaarde van 91 die hertrouwde wel geestelijk in orde? En de puber die zich om religieuze redenen niet wilde laten vaccineren, was die wel tot oordelen bevoegd? Op basis van kennis over de rijpheid van het puberbrein mocht hij juridisch inderdaad gepasseerd worden. De rechter vond de hoogbejaarde voldoende wilsbekwaam: de MRI-scan waaruit beginnende dementie bleek, overtuigde niet. Ook pijn van het postwhiplashsyndroom kan in de hersens worden ‘gezien’ en rechters overtuigen.

Aansprakelijkheid, zelfbeschikking, toerekenbaarheid, wilsbekwaamheid, identiteit – rechters geven zich rekenschap van wat er in het brein aan de hand is. Over gokverslaafden was al bekend dat de ‘beloningsgebieden’ in hun hersens ontregeld zijn. Zij hebben minder impulscontrole dan gewone mensen. Dat betekent dat er bij contractuele afspraken met gokverslaafden juridisch ook minder van hen verwacht kan worden. Als een casino een toegangsverbod afspreekt, kan de zorgplicht van het casino dus zwaarder wegen. Verslaafden hebben minder wilskracht.

Vorige maand publiceerde de criminoloog Wouter Buikhuisen in het liber amicorum voor de Tilburgse hoogleraar victimologie Jan van Dijk een artikel over de amygdala, ook wel het sociaal-emotionele regelcentrum van de hersens genoemd. Wie daar beschadigingen heeft, kan niet leren van negatieve ervaringen. Vrees, schaamte of berouw zijn onbekend. Boze gezichten worden niet herkend, strenge woorden dringen niet door. Hij concludeert op basis van onderzoek naar psychiatrische of gedragsstoornissen dat meer dan de helft van de gedetineerden een beschadigde amygdala moet hebben. Buikhuisen noemt deze groep de ‘indifferenten’, de onverschilligen. Daders zonder spijt of berouw, niet toegerust met empathie, niet aanspreekbaar of corrigeerbaar. Deze categorie van ‘indifferenten’ is niet strafgevoelig, kan niet leren van negatieve ervaringen en beseft niet wat zij anderen aandoet. „Het zijn als het ware de autisten onder de criminelen, de delinquenten met een siliconenpersoonlijkheid. Strafdoelen als speciale preventie en generale preventie werken bij hen niet.” Amygdalaproblemen worden in verband gebracht met genetische aanleg, zwangerschapsproblemen, voeding en met opgroeien onder negatieve omstandigheden, zoals verwaarlozing, misbruik en conflicten. Hersenen blijken zich immers dynamisch te ontwikkelen, ook in negatieve zin. Wat je met deze kennis aanmoet in het strafrecht is nog niet zo eenvoudig. Behalve de gedupeerde en de samenleving lijkt nu ook de dader slachtoffer. Buikhuisen vindt dat deze groep niet gestraft moet worden, maar behandeld. En wel zo vroeg mogelijk. Anders krijg je geboren recidivisten, untouchables die levenslang op gesloten afdelingen zullen belanden. De rechtspraak staat bij deze groep met lege handen.

Juridisch redacteur Folkert Jensma schrijft hier wekelijks over de rechtsstaat. T: @folkertjensma

    • Folkert Jensma